Raphaël Pichon maakt barokmuziek van vlees en bloed bij KCO

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Raphaël Pichon. Werken van Jean-Philippe Rameau, Jean-Féry Rebel, Christoph Willibald von Gluck. Met Julie Roset sopraan, Stéphane Degout, bariton. Gehoord: 3 mei 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*

Door Peter Schlamilch

 

Je kunt het Koninklijk Concertgebouworkest wel uit Mahler halen, maar het omgekeerde is veel moeilijker, en hoe hard Franse barokspecialist en dirigent Raphaël Pichon ook duwde en sleurde: van het KCO maak je in een week natuurlijk geen barokensemble, al was het maar vanwege het feit dat het uiteraard niet op authentieke instrumenten speelt.

 

 

 

Muzikale hygiëne

Maar dat was dan ook helemaal niet Pichons bedoeling, want het ging hem naar eigen zeggen in de eerste plaats om ‘eerlijk en oprecht musiceren’, waarbij hij hoopte ‘dat de orkestmusici deze muziek op een fysieke manier zullen omarmen, dat ze pret zullen hebben bij vrolijke situaties, dan wel van streek zullen raken op de verdrietige momenten.’ En inderdaad, alleen al daarom was dit een zeer geslaagd muzikaal experiment, want het is voor de muzikale hygiëne voor elk orkest van levensbelang om af en toe ver af te wijken van gebaande paden en tradities – zonder die natuurlijk los te laten – en muziek te spelen die normaal gesproken zelden op de lessenaars verschijnt, maar die wel de basis vormt voor de vertrouwdere stijlen als classicisme en romantiek. Het orkest had zelfs Alexander Janiczek, in het dagelijks leven concertmeester van het Orkest van de Achttiende Eeuw en dus zeer ervaren met barokmuziek, ingehuurd als gastconcertmeester, en hij vervulde als intermediair tussen orkest en dirigent een belangrijke rol: je zag dat hij met Pichon kon lezen en schrijven, en hij vertaalde diens wensen, opvattingen en esthetiek zoveel mogelijk naar de orkestleden, die zijn enthousiasme grotendeels overnamen.

 

 

Emotioneel en illusionistisch

Frasering, articulatie, dynamische contrasten, tempo en rubato zijn in de barok natuurlijk wezenlijk anders dan bij Brahms en Tsjaikovski, maar toch zijn die elementen uit de barok voor elk orkest fundamenteel voor het interpreteren van latere werken: ook grote componisten als Beethoven, Brahms en Mahler kenden natuurlijk de barokmuziek goed en, ook al schreven ze in compleet andere stijlen: de levendige en aangrijpende speelwijzen uit die periode zijn ook inspirerend voor hun muziek. En Pichon begrijpt inderdaad als geen ander wat barokmuziek eigenlijk is: niet de brave, afgewerkte en soms museale interpretaties die we soms horen, hoe mooi ook, geven een realistisch beeld, nee: deze Franse dirigent maakt barokmuziek van vlees en bloed, precies zoals de Katholieke Kerk het had bedoeld met de contrareformatie. De barokperiode (ca. 1600–1750) ontstond deels als artistiek en muzikaal antwoord van de katholieken op Luthers Protestantse Reformatie (1517), en Rome besloot kunst, architectuur en muziek in te zetten als ‘propagandamiddel’ om het geloof te versterken, de gelovigen emotioneel te raken en de katholieke doctrine duidelijker over te brengen. In plaats van sobere, tekstgerichte protestantse kerkdiensten, koos de Kerk voortaan voor pracht, drama en zintuiglijke overdaad, culminerend in de barokstijl: groots, theatraal, emotioneel en illusionistisch, met sterke nadruk op de affectenleer.

 

 

Wanhoopsaccoord

Pichon begon met een korte inleiding, waarin hij zich beklaagde dat Rameau zo ernstig werd onderschat buiten Frankrijk, en vaak ook daarbinnen. Hij betoogde dat de grootste Franse componist na Lully complex, harmonisch rijk, expressief en ‘geleerd’ was, en melodieuzer maar ook chromatischer was dan zijn voorganger, en meer enharmoniek en een rijkere orkestratie toepaste: ‘Zijn muziek is harmonisch veel avontuurlijker’. Zijn werken leidden tot een ware cultuuroorlog in Parijs: de ‘Lullistes’ vonden Rameau te Italiaans, te moeilijk, te ‘barok’ en onnatuurlijk. De ‘Ramoneurs’ prezen juist de rijkdom en diepgang, of, zoals Diderot het samenvatte:

‘De oude Lully is eenvoudig, natuurlijk, soms té gelijkmatig. De jonge Rameau is bijzonder, briljant, complex, geleerd — soms té geleerd.’ Hij was daarnaast een zwijgzame man die alleen sprak om iemand tegen te spreken, en tijdgenoten beschrijven hem als iemand die ‘geen hart en geen ziel had, behalve in zijn klavecimbel; maar zodra hij het deksel sloot, was er niemand meer thuis’.

Grappig genoeg was het de volstrekt onbekende Jean-Féry Rebel (1666–1747) die met zijn extreem dissonante openingsaccoord van Le Cahos (Chaos, uit Les élémens), bestaande uit de voor die tijd volstrekt ondenkbare cluster D-E-F-G-A-BES-CIS, de meeste indruk maakte, want accoorden met meer dan 4 noten bestonden er rond 1700 niet – dit accoord heeft er 7. (De volgende stap zou pas 200 jaar later zijn, toen Gustav Mahler in zijn onvoltooide Tiendeeen wanhoopsaccoord van maar liefst 10 van de 12 beschikbare noten neerschreef.) Ik moest even in het programma controleren of er niet een modern stuk was ingevoegd.

 

 

Krochten van de menselijke ziel

Pichon dirigeert met links, maar dat valt, opvallend, nauwelijks op omdat hij met beide armen bijna even expressief is: als een barokke veldheer vuurde hij de Amsterdammers aan, elke inzet opzwepend of juist extreem tegenhoudend, aan elke maat, elke frase vorm en inhoud gevend – prachtig om te zien. Geen gepriegel op de vierkante millimeter, maar lange, vloeiende lijnen met de hoognodige ritmische precisie waar nodig. Grote dynamische contrasten en vele spannende kleuren, zoals de schalmei-achtige klanken door de hoboïsten, de mengklanken van zeer zuiver en genuanceerd koper met de strijkers en de donder en bliksem uit het uitmuntende slagwerk.

‘Elke noot is een karakter, en elke rust een toneelaanwijzing’, zei Pichon vooraf, en dat zijn teksten naar mijn hart: niet gewoon de maat slaan, maar elke frase kleur en karakter geven – dat is dirigeren!

Omdat de opera’s van Rameau Wagneriaanse proporties hebben en dus te lang zijn voor in de concertzaal, had Pichon een prachtig programma samengesteld die ons een reis van de onderwereld, via het paradijs naar de godenwereld uitbeeldde, samengesteld uit verschillende delen uit Rameau’s werk (met kleine uitstapjes naar Jean-Féry Rebel en Christoph Willibald von Gluck), ons leidend van de krochten van de menselijke ziel, de hel, naar het licht van het paradijs.

 

 

Beeldschoon en verstild

Het eerste, dramatische deel, beviel me het meeste (misschien een karakterfout), want naarmate Rameau vrolijker wordt, is hij ook voorspelbaarder, bijvoorbeeld in de toch wat eentonige harmoniek. De solo’s van de Franse bariton Stéphane Degout waren mooi en expressief, misschien ook dankzij zijn uitgebreide operacarrière, die naast barok ook Wagner, Debussy en moderne muziek omvat. Zijn stem klinkt vol, soms ietsje kelig in de hoogte maar altijd present en volumineus, behalve in het slotduet, waar hij scherp contrasteerde met zijn landgenote, de helder en fris maar zeer frêle en ijl zingende sopraan Julie Roset, die vocaal, maar ook narratief nèt wat te kort kwam om met haar aria’s te boeien. De fluitsolo van KCO’s solofluitiste Emily Beynon was beeldschoon en verstild, met een adembenemende en loepzuivere frasering, uiteraard op een moderne fluit maar stijlbewust en magisch van toon (leuk overigens dat de violen de basnoten van dit trio speelden: dat hoor je niet vaak). Ook de prachtige fagotsolo, gespeeld door twee loepzuivere fagotten, mag hier genoemd worden.

 

 

Beetje melig

Al met al een prachtig palet van de Franse hoogbarok, die aan het einde een beetje verzandde in al te veel vriendelijkheden en nogal plotseling eindigde met de enigszins melige Contredanse très vive uit Les Boréades, waar Rameau’s opera’s natuurlijk vaak met koor eindigen. Misschien een kleine anticlimax, maar voor de echte fans geen enkel probleem. Ik heb vooral zitten genieten van dirigent Raphaël Pichon, die, intens en met lange lijnen, ver weg van maatstrepen en ritmen dirigerend, met vele accelerandi en rallentandi een muzikale, dynamische sculptuur schiep die Rameau alle eer bewees. Laat hem maar elk jaar terugkeren voor een barokproject, dat doet iedereen goed!

Peter Schlamilch

 

* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.

 

 

 

Meer info: concertgebouw.nl

You May Also Like

Willem Jeths met meditatieve mijmeringen

Muziekgebouw Eindhoven: Wagners Walküre stormachtig indrukwekkend

Hongkongs vissen-gesmak betovert, maar Beethoven blijft achter bij KCO

Lied der Lieder bij NNO in Stadskanaal en Sneek