Chopin van pianist Volodos is soms erg persoonlijk

Serie Grote Pianisten, Arcadi Volodos, piano Werken van Schubert (Sonate in G D 894) en Chopin (Mazurka’s opus 33/4, 41/2, 63/2 en Sonate nr 2 in bes opus 35). Gehoord: Muziekgebouw Eindhoven, 6 maart 2026
Door: Willem Boone
Poëzie, schoonheid en dramatiek
Chopin is natuurlijk een van de meest geliefde componisten die maar zelden ontbreekt op recitalprogramma’s. Hij is een componist over wie vrijwel iedereen het eens is: zijn muziek vormt de ideale combinatie van poëzie, schoonheid en dramatiek. Tegelijkertijd zeggen veel pianisten dat zijn scheppingen ‘ongrijpbaar’ en ‘vluchtig’ zijn, wat ze uitermate lastig maakt om uit te voeren, in technisch en muzikaal opzicht. De eminente pianist en leraar Dmitri Bashkirov zei hierover dat er twee componisten zijn die je met eenvoud moet spelen en die geen overdrijving verdragen: Mozart en Chopin. Bij laatstgenoemde leidt dat ertoe dat sommige beroemde, overleden pianisten, zoals Arthur Schnabel, Clifford en Curzon en Alfred Brendel hem in het geheel niet speelden. Martha Argerich, van wie je toch een grote affiniteit met deze muziek mag verwachten na haar zege op het Chopin-concours in 1965, noemde hem ‘mijn onmogelijke liefde.’ Aan de andere kant zei ze: “Als ik een tijd geen Chopin gespeeld heb, voel ik me geen pianist.’
De angst voor eenvoud lijkt dus menigeen af te schrikken en het is mogelijk de oorzaak dat de muziek van de Pool nogal eens sentimenteel gespeeld wordt. Dat komt veel vaker voor dan bij de muziek van Schumann of Liszt, van wie de stijl overigens evenmin gemakkelijk te ‘vatten’ is. Bij mijn weten heeft Arcadi Volodos niet eerder Chopin op zijn programma’s gezet en ik vroeg me af wat de reden was dat hij dat nu ineens wel doet. Het intrigeerde me genoeg om zijn recital in Muziekgebouw Eindhoven bij te wonen.

Fraai uitgelichte details
Veel van zijn sterke punten waren ook nu hoorbaar, zoals de kwaliteit van zijn toucher. De Mazurka in b opus 33 nr 4die hij als eerste na de pauze speelde, was dansant van karakter. Aan de andere kant had zijn uitvoering ook iets onwennigs: de muziek stroomde niet altijd door en er waren, net als in de Mazurka in f opus 63 nr 2 tempowisselingen. Ik kan me voorstellen dat hij met de muziek van Schubert, die hij voor de pauze speelde, veel vertrouwder is. Misschien vergis ik me wel en speelt hij al lang de muziek van Chopin voor zichzelf. Ik meende echter een verschil in interpretatie tussen Schubert en Brahms (in de eerste toegift) enerzijds en Chopin anderzijds te horen. Daarbij misten zijn lezingen van laatstgenoemde componist naturel voor mij. Dat was ook hoorbaar in de Prelude in cis opus 45. Ook daar stroomde de muziek niet altijd: de pianist lichtte details uit en dat deed hij heel mooi, maar ik hoorde minder de fraaie, lange lijnen die dit stuk zo bijzonder maken.

Dramatisch karakter
Ook bij zijn uitvoering van de Sonate nr. 2 in bes opus 35 lichtte hij in het eerste deel details uit en miste soms voorwaartse beweging. Zijn interpretatie had wel een sterk dramatisch karakter, wat goed bij dit begindeel paste. Zeker de laatste akkoorden klonken zeer krachtig. In het Doppio movimento waren soms vertragingen hoorbaar, zoals bij het tweede thema. Het Scherzo speelde hij in een gangbaar tempo. Aan het begin van de Marche funêbre liet hij de akkoorden met veel pedaal galmen, wat het effect van beierende klokken voor de geest riep. Ook hier had zijn spel een sterk dramatisch karakter met fors klinkende akkoorden. Het tempo deed aan een voorbijtrekkende stoet denken. Bij het tweede deel van de Treurmars liet hij mooi de rechterhand in intensiteit toenemen, al viel op dat hij het bij de herhaling op dezelfde manier speelde. Bij de reprise van het eerste gedeelte speelde hij de basoctaven versterkt en fortissimo, wat Chopin niet in de partituur voorschrijft. Volodos paste hier schaalvergroting toe die vreemd aandeed en deze – weliswaar dramatische – muziek liet klinken als een deel uit de Schilderijententoonstelling van Moussorgsky. Jammer, want deze contrasten in dynamiek kwamen weinig idiomatisch over. Ook het raadselachtige vierde deel, Finale presto, waarover Schumann zich ooit afvroeg: “Is dit wel muziek?” klonk behoorlijk anders dan je het normaal hoort. Het spel van de pianist was groezelig, met vreemde accenten en deed meer aan windvlagen denken dan aan wind die over een kerkhof waait. Aan het eind leek hij te aarzelen voordat de laatste twee fortissimo-akkoorden klonken.

Serene Schubert
Voor de pauze bevond hij zich op voor hem bekender terrein met de Sonate in G opus 78 D 894 van Schubert. Het eerste deel klonk zoals de componist het voorschrijft: Molto moderato e cantabile. In de programmatoelichting werd de Engelse pianiste Imogen Cooper aangehaald die zei dat ‘het een van de weinige volstrekt serene sonates is die Schubert geschreven heeft.’ Volodos speelde de muziek inderdaad sereen en ingehouden. Zijn aanslagbeheersing is fenomenaal: hij realiseert de meest uiteenlopende (hoewel die in deze sonate niet zeer contrastrijk zijn) in een handomdraai en zonder zichtbare moeite. Het is knap om te zien en horen dat hij ook forse akkoorden kan spelen zonder ooit zijn toon te forceren. Daarnaast is zijn legato prachtig en toch…………het zal aan mij liggen en niets over de kwaliteiten van deze pianist zeggen, maar zijn spel ontroerde me niet echt in deze muziek. Deze Sonate in G grootbevat ontroerende momenten, zoals het – op het eerste gehoor – argeloze trio van het derde deel, menuetto: allegro moderato. Dat was lieflijk onder de gevoelige vingers van Volodos, maar ik hoorde daar niet de magie die hem, net als bij Chopin, in de eenvoud zit en die maakt dat je je adem inhoudt. Er is sprake van een bepaald soort eenvormigheid in zijn toucher, zij het op een heel hoog niveau. Zijn toucher is beeldschoon en als gezegd, hij vermag er alle dynamische nuances mee te realiseren. Ik hoorde echter ook een pianist met een ‘hedonistische’ kijk op muziek: iemand die zich als het ware laaft aan mooie, sonore klanken, maar daarmee niet altijd – en ik herhaal: voor mijn gevoel – tot de diepste, ontroerendste kern van de muziek doordringt. Dat is het gevoel dat bij mij bleef hangen: het was buitengewoon fraai, maar er miste iets waar ik maar moeilijk de vinger op kon leggen.

Betoverende toegiften
Zoals gezegd klonk de eerste toegift, Brahms Intermezzo opus 117 nr 1, direct natuurlijker en idiomatischer dan Chopin. Hij liet deze dromerige muziek stromen. Al net zo fraai waren de tweede toegift, Schuberts Moment musical nr 3 in een ongehaast tempo en de Sicilienne BWV 596 van Vivaldi, bewerkt door Bach, een beproefde encore van deze pianist.
Willem Boone
Foro’s: Marco Borggreve e.a.
Info:
https://mge.nl/agenda/arcadi-volodos-2/