Hohe Messe geraffineerd maar weinig meeslepend

Insula orchestra o.l.v. Laurence Equilbey. Johann Sebastian Bach – Mis in b, ‘Hohe Messe’. Met Núria Rial (sopraan), Anna Lucia Richter (mezzosopraan), Werner Güra (tenor), Gerrit Illenberger (bas), Accentus, Monteverdi Choir. Gehoord: 9 april 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam
Door Peter Schlamilch
Bach werkte de gehele tweede helft zijn hele leven aan de Hohe Messe, een katholieke mis gecomponeerd door een overtuigde Lutheraan – zeer opmerkelijk: waarom? Hij voltooide het werk pas een jaar voor zijn dood en heeft het nooit in zijn geheel gehoord, hoewel dat voor een componist van zijn kaliber, die zich alles voor zijn ‘geestesoor’ kan voorstellen, natuurlijk bijzaak was. Hoofdzaak was waarschijnlijk dat hij een missa tota wilde schrijven waarin hij al zijn compositorische gaven kon overdragen aan het nageslacht, zoals de erudiete Bach-kenner Eduard van Hengel (1937-2024) het op zijn prachtige website, met bijna 2000 werkbeschrijvingen van de grote meester uit Eisenach, uitlegt. Pas in 1989 bleek dat de Hohe Messe het allerlaatste werk is geweest dat Bach heeft gecomponeerd, nog later dus dan de onvoltooid gebleven Kunst der Fuge, waarvan tot dusver altijd is aangenomen dat het Bachs zwanenzang was.

Veredelde lakei
Van Hengel beschrijft het prachtig: ‘Met deze, niet voor een bepaalde gelegenheid geschreven, autonome kunstwerken geeft Bach dus niet alleen een artistiek testament af, maar loopt hij ook vooruit op de rolopvatting die pas in de Romantiek voor de componist normaal zou worden: de vanuit een krachtige innerlijke inspiratie werkende scheppend kunstenaar die geen gelegenheid hoeft af te wachten en geen conventie hoeft te respecteren om uitdrukking te geven aan zijn creatieve impulsen. Aan het eind van zijn leven, [na tien jaar nauwelijks vocale werken te hebben geschreven] zet Bach de eerste passen op de weg die voert van veredelde lakei, in dienst van kerkelijke of wereldlijke heren, naar autonoom kunstenaar, een status die pas Mozart en Beethoven zouden bereiken.’ Lees die website!

Zoekende luisteraar
De uitvoering van de Hohe Messe door het Franse koor accentus en het in 1964 door Sir Eliot Gardiner opgerichte Monteverdi Choir in de Grote Zaal van het Concertgebouw, begon wat statisch, juist waar Bach met een diep-dramatische oerknal wilde openen: Kyrie eleison: Heer, ontferm u! Een volk in nood heft de armen ten hemel in een ultieme poging om goddelijke bescherming af te smeken, net als het beroemde beeld De verwoeste stad van Zadkine dat zo indrukwekkend verbeeldt – een smeekbede ter afwending van onzegbaar leed, in Bachs partituur ook nog voorzien van de schitterendste getallensymboliek en met direct al de gulden snede halverwege maat 3, waar de harmonie na snelle omzwervingen alweer ‘thuis’ komt. Al die symboliek was duidelijk niet het streven van de Franse dirigente Laurence Equilbey, die met vrij verkrampte bewegingen niet veel verder kwam dan de maat slaan – ze presenteerde een ‘objectieve’, integere en on-ijdele Hohe Messe, en die klonk transparant, zeer afgewerkt, oerzuiver en prachtig in balans. Voor de ascetische Bach-liefhebber misschien genoeg, maar voor de zoekende luisteraar die ook graag die ‘romantische’ (Van Hengel) zielenroerselen van het grootste muzikale genie uit onze beschaving wilde horen echt te weinig. Ook de Duitse uitspraak van het Latijn, die altijd, zeker in zo’n Franse context, wat ouderwets en gemaniëreerd aandoet, schiep afstand.

Schokeffecten en bombast
Waar de bulderende (mijn interpretatie) openingsmaten dus niet bulderden, klonk de daaropvolgende koorfuga aanvankelijk prachtig bescheiden, aarzelend en zelfs wat hortend en stotend – begrijpelijk, want het volk treedt sidderend en smekend voor zijn Schepper – maar er zat te weinig ontwikkeling in de opbouw om meeslepend te werken, en de vertraging in de slotmaat was écht teveel van het goede.

Maar toegegeven: de koren zongen perfect, gelijk, zuiver en volledig samen, hoewel steeds een tikkie te etherisch – Bach was echt ook een bierdrinkende vader van 20 kinderen hoor! We moeten niet steeds dezelfde fout blijven maken dat barokmuziek niet levendig zou zijn, alleen omdat de componisten in die tijd de gewoonte hadden om geen dynamische en expressieve aanwijzingen bij hun noten te schrijven: die noodzaak was er destijds gewoon niet, omdat ze steevast zelf hun werken dirigeerden en dus interpreteerden. Maar juist barokmuziek moet het hebben van de expressiviteit, van de schokeffecten en af en toe het bombast: dat was destijds zelfs het officiële uitgangspunt van de kerk om de gelovigen te imponeren en te doordringen van de ernst van het Bijbelverhaal.

Klein en afwachtend
Maar goed: expressiviteit, schokeffecten en bombast waren duidelijk niet het esthetische kader van Equilbeys interpretatie, maar gelukkig veranderde dat een beetje toen de Duitse mezzo Anna Lucia Richter haar opwachting maakte: een jaar geleden prees ik al haar ‘prachtig-ronde en gouden stemgeluid’ en dat was nu niet minder, maar op haar weg van sopraan naar mezzo had ze een nog indrukwekkender, beeldschoon donker borstregister ontwikkeld, warm en doorleefd, met prachtige dictie en fraseringen – een genot voor het oor.
Ook de Duitse tenor Werner Güra zong voluit en beeldend, samen met Richter dus een heel eigen uitdrukkingswereld nastrevend – gelukkig maar! Zijn stem is een wonder van beschaving en edele voordracht, en heeft een honingbruine kleur om van te smullen. Hoewel hij wat meer contact met de toehoorders had mogen maken om zijn boodschap, Benedictus qui venit in nomine Domini (Gezegend is hij die komt in de naam van de Heer), meer tot leven te brengen, overtuigde zijn muzikale voordracht tot in elk detail. Núria Rial (sopraan) en Gerrit Illenberger (bas) zongen ook mooi, maar te klein en te afwachtend om ons echt met de heilige boodschap mee te slepen – Rial breekbaar en wat onzeker, en Illenberger is een prachtige zanger, maar natuurlijk helemaal geen bas: hij zingt in beroemde theaters de grote baritonrollen en was hier wat misplaatst.

Muzikale geheimen
Toch gebeurde er een klein wondertje, want in het laatste halve uur, vanaf het schitterende en extatische Sanctus, leken dirigente, musici en zangers genoeg te hebben van al die afstandelijkheid: de muziek ging meer stromen en werd menselijker, het volume nam wat toe en er kwam meer beweging in koor en orkest. De geest van de componist leek even voorbij te komen – nog steeds op gepaste afstand, maar toch: Bachs meesterwerk kreeg kleur op de wangen en kwam tot leven, en gaf zijn goddelijk mooie muzikale geheimen eindelijk prijs: het publiek kon terugkijken op een integere en technisch bijna volmaakte uitvoering van Bachs magistrale werk, die echter te laat op gang kwam om echt meeslepend te kunnen zijn.
Peter Schlamilch
Foto’s: Hannes Magerstaedt e.a.

Info: Concertgebouw