
Door Thea Derks
Jack the Ripper als inspiratiebron
Eind negentiende eeuw verkrachtte, vermoordde en verminkte Jack the Ripper meerdere vrouwen in Londen. De dader werd nooit gevonden, maar vele kunstenaars lieten zich door hem inspireren. De eerste was Marie Belloc Lowndes, met haar roman The Lodger uit 1913. Hierop baseerde Alfred Hitchcock zijn eerste thriller en Phyllis Tate haar gelijknamige opera.
The Lodger ging in 1960 in première aan de Royal Academy of Music en werd in 1964 op de radio gespeeld door het BBC Northern Orchestra and Chorus onder leiding van Charles Grove. Pas in 2018 volgde de eerste scenische uitvoering, door het Stadttheater Bremerhaven, in een Duitse vertaling. Vanaf 18 april is de opera te zien in een nieuwe productie bij Opera Wuppertal. – Gelukkig ditmaal in het Engels.

Eenvoudige onvoorspelbaarheid
Bij de meeste liefhebbers van klassieke en moderne muziek zal de naam Phyllis Tate (1911-1987) niet onmiddellijk een belletje doen rinkelen. Toch genoot zij in eigen tijd wel degelijk faam. Maar ze sloot niet aan bij meer modernistische tijdgenoten als Elisabeth Lutyens, Peter Maxwell Davies of Harriston Birtwistle, die in naslagwerken figureren als belangrijkste vertegenwoordigers van de Britse muziek van na de Tweede Wereldoorlog.
Geen wonder, want haaks op de ‘I don’t care if you listen’ attitude van haar beroemdere tijdgenoten, vond Tate dat muziek in de eerste plaats moet communiceren. Ze componeerde veel voor scholen en zei in een radiouitzending in 1976: ‘Het is essentieel muziek te schrijven die rechttoe rechtaan en communicatief is, maar tegelijkertijd – binnen de beperkingen – een onverwachte wending introduceert. Ik streef naar een soort eenvoudige onvoorspelbaarheid, die ik bewonder in Berlioz en Janáček, wier muziek vaak zo ongecompliceerd lijkt, maar tegelijkertijd zo vreemd en verrassend is.’
Ze achtte haar vroegere muziek te complex en gekunsteld en vertelde dat haar manier van componeren mede dankzij haar werk voor scholen in de loop der jaren ‘zuiniger en eenvoudiger is geworden; waarschijnlijk ook minder intellectueel. Ik vind het een echte uitdaging, want makkelijke muziek schrijven is ontzettend moeilijk, aangezien elke noot precies de juiste moet zijn.’
Tate vernietigde bijna al haar composities van voor WOII, zelfs het Celloconcert uit 1934, dat Ethel Smyth de uitroep ontlokte: ‘Eindelijk heb ik een echte vrouwelijke componist gehoord!’ Het eerste werk dat Tate erkende was haar in 1944 in opdracht van de BBC geschreven Concert voor altsaxofoon en strijkorkest. Dit virtuoze stuk werd in 2018 op cd gezet door de Finse saxofonist Olli-Pekka Tuomisalo met zijn eigen orkest. Drie jaar eerder verscheen al de radio-opname uit 1964 van The Lodger.
Schunnig liedje
Phyllis Tate wordt 1911 in Gerrards Cross, zo’n 30 kilometer ten westen van Londen, geboren. Getuige haar geestig geschreven autobiografie is haar vader een weinig succesvolle architect: samen met haar zingt hij liederen op straat om het lesgeld bij elkaar te sprokkelen voor de meisjesschool waar hij haar onderweg naar zijn werk afzet. Een beroep van haar moeder vermeldt ze niet, maar die ‘ramde op de piano en zong met een grafstem de populaire ballades van toen’.
Tate is enig kind, wat ze in haar autobiografie wijt aan haar grootmoeder, die zó verbolgen zou zijn geweest dat haar enige zoon van negen kinderen nu óók weer een dochter op de wereld had gezet, dat ze hem verbood nog meer nageslacht te verwekken. Phyllis voelt zich vaak eenzaam en van onderwijs komt ook weinig terecht. Als ze op haar tiende bij een eindejaarsconcert een van haar vader geleerd ‘schunnig musichalldeuntje’ zingt, wordt ze van school getrapt.

Verdere scholing vinden haar ouders onnodig, want meisjes zijn ‘enkel nuttig als potentiële moeders’. Zo wordt Phyllis als 10-jarige en ‘vrijwel analfabeet’, geheel op zichzelf teruggeworpen. Dat spoort haar aan haar talenten te ontwikkelen. Ze bedenkt haar eigen krant Catland News, waarvan ze enkele afleveringen maakt, met door haarzelf getekende en geschreven bijdragen ‘vol bloederige details’ over de ‘gruwelijkheden van de dag’. – Hierin liggen wellicht al de wortels voor haar latere opera over Jack the Ripper.
‘Echte muziek’
Tegen de zin in van haar moeder koopt ze voor een habbekrats een ukelele, die ze zich op eigen houtje eigen maakt. Geïnspireerd door de jazzrage schrijft ze hier in de jaren 1920 foxtrots en blues voor. Ze sluit zich aan bij een reizend concertgezelschap dat optreedt in ‘ziekenhuizen, bejaardentehuizen, liefdadigheidsconcerten enzovoort’. Tijdens een zo’n uitvoering wordt ze benaderd door Harry Farjeon, die aanbiedt haar les te geven in ‘echte muziek’. Hij is docent harmonie en compositie aan de Royal Academy of Music en daar begint ze op haar zeventiende aan een studie compositie, pauken, directie en piano.
Tijdens haar opleiding worden verschillende werken van haar uitgevoerd, waaronder de operette The Policeman’s Serenade en een symfonie. In haar jeugdige overmoed laat ze hierin elk instrument een uur lang non-stop spelen, zonder ook maar één pauze, zodat de musici na afloop ‘volledig buiten adem en met paars aangelopen gezicht’ van het podium stappen. Met haar kenmerkende zelfspot constateert ze dat ze aan de Academy ook ‘vreselijk kunstzinnige liederen’ componeert en deze in 1932 afsluit ‘met een nogal onverdiende gouden medaille’.
Ongebruikelijke bezettingen
Dat ze als tiener een ukelele aanschaft in plaats van zich te bekwamen op de piano zoals haar moeder wil, zegt iets over haar voorliefde voor bijzondere instrumenten. Zo breekt ze in 1946 door als componist met haar Nocturne for Four Voices voor vier zangsolisten, strijkkwintet, celesta en basklarinet. Het is een zetting van een gedicht dat Sidney Keyes op zijn 17e schreef, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het verwoordt zijn gevoel van dreigend onheil – in 1943 zal hij sneuvelen aan het front in Noord-Afrika.
‘Een opmerkelijk werk’, schrijft The Times, ‘het thema is jeugd en dood en de componist heeft de visie van de dichter tot uitdrukking gebracht in het samenspel tussen de vier stemmen. Ze heeft zijn beeldspraak gekoppeld aan treffende muzikale figuraties. De opening grijpt je als luisteraar bij de keel en die greep verslapt nergens.’ Dat is volgens Music and Letters te danken aan de ‘subtiel schilderachtige partituur, waarbij de celesta de contouren verzacht’.
Zo mogelijk nog succesvoller is haar Sonate voor klarinet en cello, een destijds ongekende combinatie. Deze gaat in 1947 in première in de Wigmore Hall, met de klarinettist William Pleeth en de cellist Frederick Thurston. Naast de sonate staan werken van onder anderen Stravinsky en Bartók.

The Specator schrijft:‘Tijdens dit concert overschaduwde het werk van de jonge Engelse componist Phyllis Tate de kleine werken van grote namen in de rest van het programma. De verbeeldingskracht, de oprechte, grillige emotie, de humor en het vakmanschap waarmee de twee instrumenten worden verweven en tegen elkaar worden afgezet, maken dit stuk tot een groot succes.’
In 1956 krijgt ze opnieuw lovende kritieken voor haar vierdelige cantate The Lady of Shalott, die ze componeert voor het tienjarig bestaan van BBC3. Ze maakt een zetting van deze ballade van Alfred Lord Tennyson voor tenor, piano, celesta, altviool en twee of drie slagwerkers. Hun instrumentarium beslaat een kleurrijke mix van triangel, bekkens, basdrum, snaredrum, tamboerijn, brushes, glockenspiel, ratel en gong.
‘Ondanks het expansieve karakter van muziek slaagt ze erin het gedicht in een verrassend hoog tempo te doorlopen, zonder daarbij de heraldische schoonheid van de details uit het oog te verliezen’, schrijft The New Statesman. ‘Haar muziek heeft een enorme stuwkracht; ze borrelt voortdurend op en stroomt voort als een heldere beek. Het hele stuk is fris, origineel en totaal onvoorspelbaar. Ik zie ernaar uit het nog eens te horen.’
The Lodger
Tate behoort inmiddels tot een van de belangrijkste componisten van Engeland en in 1957 vraagt de Royal Academy of Music haar een opera te schrijven. Ze kiest voor het thema van Jack the Ripper, zoals door Marie Belloc Lowndes uitgewerkt in haar roman The Lodger.
Hierin voert het echtpaar Bunting een noodlijdende Bed & Breakfast, tot zich op een dag een gast aandient die zich keurig gedraagt en hen financieel ondersteunt. De vrouw vermoedt echter al snel dat deze bescheiden, godvrezende man de gewetenloze moordenaar Jack the Ripper is en worstelt met de vraag of ze hem aan de politie zal uitleveren.
Het boek focust niet zozeer op de ‘bloederige details’, maar benadert het onderwerp vanuit een psychoanalytische blik op de zieke geest van een psychopaat. ‘Die is het ene moment vriendelijk en zachtaardig, met uitstekende manieren, en het volgende moment een seksuele en religieuze maniak die in razernij passages uit Openbaring 17 reciteert voordat hij de nacht in sluipt om opnieuw een prostituee te zoeken en in stukken te snijden’, zoals Tate in haar eigen toelichting schrijft.
Het hoofdpersonage in The Lodger is uiteindelijk dan ook niet Jack the Ripper zelf, maar Emma Bunting. Haar gewetensnood wortelt mede in Tate’s afkeer van de doodstraf, die ze vlakbij haar huis in 1955 nog heeft meegemaakt. Dat jaar werd Ruth Ellis opgehangen, die haar gewelddadige man had gedood. Zij was de laatste vrouw die de doodstraf kreeg en vanwege de publieke verontwaardiging hierover zou deze in 1965 (!) worden afgeschaft.
Libretto en première
Het werk aan The Lodger neemt drie jaar in beslag. Tate maakt zelf een synopsis van de roman en vraagt de bekende bas en radiopresentator David Franklin hier een libretto van te maken. Dankzij zijn vele optredens bij Glyndeborne en Covent Garden kent hij alle facetten van opera op zijn duimpje.
Dit is voor Phyllis van onschatbare waarde, zoals ze verklaart in een interview met The Times. Laconiek voegt ze hieraan toe dat het schrijfproces lastiger was dan voorzien: ‘De eerste scène duurde in de oorspronkelijke versie acht uur, maar we zijn erin geslaagd die in te korten, zodat de hele opera nu slechts tweeënhalf uur duurt.’

Aangezien het een uitvoering betreft door studenten, moet de partituur toegesneden zijn op hun technische vaardigheden. Een kolfje naar de hand van Tate. Zij schrijft immers uit overtuiging muziek die een breder publiek aanspreekt dan de atonale en twaalftoonswerken waarvoor de contemporaine elite een voorkeur heeft. De muziek van The Lodger is uitgesproken tonaal, grossiert in memorabele thema’s en is met veel psychologisch inzicht georkestreerd. Zo verklankt Tate de onderhuidse dreiging en griezeligheid met grommende lage strijkers.
De première aan de Royal Academy vindt plaats op 14 juli 1960, in een enscenering van Jennifer Agnew. Zij heeft een sober maar effectief concept ontworpen, waarin ze met behulp van een vernuftig belicht gaasgordijn de straatgevel of het interieur van het huis weet te evoceren.
De kritieken zijn enthousiast. Zo schrijft The Times: ‘Het lijdt geen twijfel dat hiermee een nieuwe Engelse operacomponist ten tonele is verschenen, die in staat is met een levendige verbeelding en muzikale inventiviteit dramatische spanning op te bouwen. […] Haar stijl is eclectisch, maar de manier waarop ze de taal hanteert die ze op dat moment nodig acht, is zo zelfverzekerd, treffend en fantasierijk dat ze haar schatplichtigheid ruimschoots compenseert.’
De criticus van Music and Musicians vult aan: ‘Er zijn maar weinig nieuwe opera’s, hoe groots opgezet ook, die de afgelopen jaren zo’n indruk hebben gemaakt. Dit mag niet de laatste keer zijn dat we dit prachtige dramatische verhaal, gedragen door krachtige operamuziek, te horen krijgen.’ De Musical Times concludeert: ‘Naast Peter Grimes is dit waarschijnlijk de meest succesvolle “eerste” opera van een binnenlandse componist sinds de oorlog.’
Eerste professionele enscenering in Bremerhaven
Vreemd genoeg brengt toch geen enkel Brits operahuis Tate’s opera op de planken: de eerste professionele uitvoering vindt pas plaats in 2018, bij het Stadttheater Bremerhaven. Daar wordt hij gepresenteerd onder de titel Der Untermieter, in een speciaal hiertoe gemaakte Duitse vertaling van Steffan Piontek, zij het in een ingekorte versie. De première wordt bijgewoond door Tate’s zoon Colin en dochter Celia, haar kleinzoons met hun echtgenotes, en een achterkleindochter.

Ook de Duitse pers blijkt onder de indruk van The Lodger. ‘De muziek van Phyllis Tate is niet alleen aangenaam, maar ook uiterst verfijnd en kunstzinnig gecomponeerd’, schrijft het internetmagazine Der Opernfreund. ‘Ze sluit naadloos aan bij het spraakritme van de taal en herinnert aan Britten of Menotti. Maar er zijn ook aria’s, een liefdesduet, een steeds grotesker wordend koor van dronkaards en in de finale van het eerste bedrijf een verbluffende ensemblescène. Alleen al dit kwintet toont het meesterschap van Tate.’ De Weser Kurier stelt dat het operahuis ‘een ware schat heeft opgegraven’.
Wereldpremière van complete opera in Wuppertal
Meerdere recensenten betogen dat The Lodger het verdient te worden opgenomen door andere operahuizen. Onder wie ook de BBC-presentator en kunstcriticus Tom Sutcliffe, die rept van ‘een volkomen geslaagde en meeslepende productie met gedenkwaardige, pakkende muziek en een sterke tekst. De opera zou prima als Prom-voorstelling kunnen worden uitgevoerd en zou binnenkort ergens in het Verenigd Koninkrijk of Ierland opnieuw op de planken moeten worden gebracht.’
Zijn oproep blijkt in de Angelsaksische wereld vooralsnog aan dovemansoren gericht. In Duitsland resoneert het thema van de sadistische vrouwenmoordenaar kennelijk sterker. Acht jaar na de Duitse première brengt Opera Wuppertal een nieuwe enscenering. Gelukkig wordt de opera ditmaal wél compleet uitgevoerd en gebruikt regisseur Greg Aldridge bovendien het oorspronkelijke Engelstalige libretto.

De website van Oper Wuppertal toont een veelbelovende flyer. Onder een foto van een man in een duistere straat met bloedspetters lezen we een korte synopsis en de vraag voor wie de productie interessant kan zijn. Het antwoord: ‘Mensen vanaf 16 jaar die van spanning houden, zich weer eens in de diepten van de psychologie willen storten of gewoon een gezellige avond willen doorbrengen.’
Op naar Wuppertal, dus!
Thea Derks
Voor dit artikel heb ik dankbaar geput uit de uitgebreide informatie op de website van Phyllis Tate, verzorgd door haar kinderen Colin en Celia Frank.
De opera loopt van 18 april t/m 12 juli
Info:
Luisteren:
https://open.spotify.com/album/3hYzojATwUoHXJO8jOGCWU?si=RNirJ167S6ubvtoU7ysOpQ

Auteur Thea Derks is muziekpublicist, gespecialiseerd in moderne muziek. In 1996 voltooide zij cum laude haar studie muziekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. In 2014 publiceerde zij de veelgeprezen biografie Reinbert de Leeuw: mens of melodie (in 2020 voor de derde druk aangevuld met 2 extra hoofdstukken). In 2018 verscheen ‘Een os op het dak: moderne muziek na 1900 in vogelvlucht’, volgens velen een ‘must-have voor elke muziekliefhebber’. Op haar website klassieken nu. WordPress.com staan talloze interessante artikelen van haar hand
https://klassiekvannu.wordpress.com