Anna Federova speelt Chopin met noblesse
Orchestre Visionnaire o.l.v Dionysis Grammenos, m.m.v. Anna Fedorova, piano Werken van: Sadikova: Tuba aeterna sonora, Chopin; Tweede pianoconcert en Mendelssohn; (Derde symfonie). Gehoord: Concertgebouw Amsterdam, 5 augustus 2026
Door Willem Boone
Het muzikale equivalent van een draaikolk
‘Geen fijne muziek om naar te luisteren’, zei de mevrouw die naast mij zat over de wereldpremière van Tuba aeterna sonora van Aziza Sadikova. Eigenlijk schoot precies dezelfde gedachte door mijn hoofd toen het orkest het dissonante begin inzette. De programmering van de Vriendenloterijconcerten valt vaak terug op het ijzeren repertoire, zeker voor de soloconcerten en symfonische werken na de pauze. Juist bij de ouvertures en ‘starters’ wil men nog wel eens een onbekend werk programmeren. Dat valt te prijzen, ook bij hedendaags repertoire, maar deze compositie viel nogal rauw op de maag. Het leek nog het meest op het muzikale equivalent van een draaikolk. Qua sfeer lag er een gevoel van dreiging onder dit stuk, maar het was – althans voor mij- niet makkelijk om me met deze materie te verbinden. Bij het publiek bestond er onduidelijkheid over het eind dat niet het eind leek. De eerste violiste was na een korte solo gaan staan en uiteindelijk liet de dirigent merken dat het stuk ten einde was.

Nobele Chopin
Het uitstekend spelende Orchestre Visionnaire, bestaande uit professionele musici uit heel Europa, wist zelfs de wat grijze orkestpartij van Chopins Tweede pianoconcert in f klein opus 21 pit te geven, onder de inspirerende leiding van de Griekse dirigent Dionysis Grammenos. Soliste Anna Fedorova sloot daar naadloos bij aan. Deze ‘huispianiste van het Concertgebouw’ speelde haar solopartij met noblesse en een subtiele frasering. Haar spel ademde op natuurlijke wijze en zij wist een goed evenwicht tussen virtuoze en poëtische passages te vinden. Zij forceerde zich nergens en speelde dit en dat is positief bedoeld. Chopin had ten slotte veel op met gesublimeerde eenvoud. Hoewel het natuurlijk pure speculatie blijft, zou ik me kunnen voorstellen dat Chopin zich wel eens goed had kunnen vinden in de visie van Fedorova. In het Larghetto klonk haar rubato natuurlijk en ook hier ademde haar spel en verhief zij nergens haar stem, ook niet in het middengedeelte van dit tweede deel. Heel mooi was haar laatste noot en daarnaast namen ook orkest en dirigent de tijd om te fraseren. De inzet van het Allegro vivace was gracieus en net als in de vorige delen viel Fedorova op met haar soepele pianistiek. Dat bleek uit de laatste, technisch zeer lastige bladzijden die zij met gemak nam, waarbij ze ook aandacht aan het typische ritme van de mazurka besteedde. Na het enthousiaste applaus speelde zij de Wals opus 64 nr 2 in cis. Daarmee bewees zij nogmaals dat zij affiniteit met deze componist heeft. Ook hier was er alle ruimte voor poëzie en ook melancholie. Haar vertolking klonk als die van iemand die voor zich uit mijmert.

Geestdriftige Mendelssohn
Na de pauze speelde het orkest de Derde symfonie ‘Schotse’ van Mendelssohn, die je eigenlijk helemaal niet zo vaak in een concertzaal hoort. Direct bij de inzet van het Andante con moto viel de heldere strijkersklank op. Deze inleiding klonk af en toe al ‘agitato’, terwijl dat de tempoaanduiding van het Allegro un poco agitato is. Deze werd behoedzaam ingezet, maar veranderde alsnog in geestdriftig. Als je iets over dit orkest kunt zeggen, is het wel dat het ‘energiek’ speelt. Mogelijk werd het hiertoe aangezet door de druk gebarende dirigent Grammenos. Met zijn linkerhand maakte hij soms ‘stotende’ en andere, ‘zwaaiende’ gebaren die het orkest echter goed oppakte. Het trof het agitato-karakter van deze muziek heel goed. Dat klonk bij vlagen onstuimig, al werd een en ander ontsierd door een helaas weer eens keiharde, meermaals afgaande, irritante beltoon van een mobiel. Het tweede deel klonk in een behoorlijk snel tempo voor een ‘Vivace non troppo’, wat de muziek overigens niet misstond. Het was een voorbeeld van zo’n typisch licht, ongrijpbaar scherzo waar Mendelssohn het patent op had, net als bijvoorbeeld in de Muziek bij een Midzomernachtsdroom. Het Adagio cantabile werd ook in een redelijk snel, niet slepend tempo genomen. Grammenos liet met het orkest mooi de onderliggende melancholie uitkomen met mooie solo’s van vooral de blazers (klarinetten!). Aan het eind zetten de musici vrijwel zonder onderbreking het Allegro vivcacissimo in: zeer energiek en zoals men in het Engels zegt ‘crisp’. Dit is wat je noemt ‘vrolijk musiceren’! Qua voortstuwende energie deed het denken aan het laatste deel, Saltarello presto, uit de ‘Italiaanse’ symfonie, nr 4, van dezelfde componist. De overgang naar het afsluitende Allegro maestoso assai verliep organisch en Grammenos leidde het orkest trefzeker naar het slot.
Willem Boone
Info:
https://www.concertgebouw.nl/vriendenloterij-zomerconcerten