Teatro Filarmonico in Verona opent concertseizoen met groots orkestfestival

Baltic Sea Philharmonic o.l.v. Robert Treviño. Wilhelm Stenhammar – Zwischenspiel aus der Kantate „Sången“ op. 44. Pjotr Iljitsj Tsjaikovski – Rococo-variaties voor Cello en orkest op. 33. Johannes Brahms – Symfonie Nr. 1 c op. 68. Charlotte Melkonian, cello. Gehoord: 23 september 2026, Teatro Filarmonico, Verona
Door Peter Schlamich
Wie dacht dat de muziek in Verona alleen uit de indrukwekkende operaproducties in de evenzo imposante eeuwenoude Arena bestond heeft het mis: er is ook een prachtig operatheater, het Teatro Filarmonico, op een steenworp afstand van de Arena, waar voorstellingen en concerten worden gegeven – zo is er een internationaal pianoconcours, er is symfonische en kamermuziek, maar ook ballet en opera’s, zoals La Bohème in november as.

Kliffen en ravijnen
De maand september is echter gewijd aan symfonische muziek, onder de noemer Il settembre dell’Accademia en wist de afgelopen weken al de Staatskapelle Dresden onder leiding van Daniele Gatti (Mahler en Brahms) en het Bergen Philharmonic Orchestra onder Dmitri Slobodeniouk te strikken. Volgende week volgt nog een optreden van het grandioze orkest van de Accademia Santa Cecilia uit Rome met werken van Rachmaninov – een concert dat ik zelf onlangs in Rome hoorde en dat mij diep raakte. Afgelopen woensdag was het echter de beurt aan het mij onbekende Baltic Sea Philharmonic, een gezelschap jeugdige musici uit de Baltische regio, die alles staande én uit het hoofd spelen – in de barokmuziek voorwaar geen nieuwigheid, maar bij Brahms’ Eerste Symfonie, met al haar syncopen en maatverschuivingen, voorwaar geen sinecure. De ervaren Amerikaanse dirigent Robert Treviño loodste het ensemble echter behendig langs de vele gevaarlijke kliffen en ravijnen, zonder daarbij concessies te doen aan de muzikale diepgang en expressie.

Uit het hoofd
De strijkersbezetting was met drie contrabassen en vier cello’s (en navenante hoge strijkers) natuurlijk niet ‘rijk’ te noemen, maar de grote inzet en speelvreugde van de musici maakten veel goed, en zo ontstond een concert dat misschien niet zo klonk als we gewend zijn, maar dat is ook precies de bedoeling van dit orkest: het doorbreken van klassieke, orkestrale tradities, en dat lukt perfect. Het ontbreken van bladmuziek dwingt de musici niet alleen tot extreme concentratie, maar geeft tegelijk een enorme vrijheid, die natuurlijk ook wel beangstigend kan zijn, want welke traditionele orkestmusicus zou het werkelijk aandurven om een compleet concertprogramma uit het hoofd te spelen? Want er stond meer op het programma: begonnen werd met het Tussenspel uit de Cantate Sången van Wilhelm Stenhammar (1871–1927), een voor de Zweedse klassieke muziek belangrijke componist. Het is een prachtig, zangerig en melancholisch, kort stuk met lange, meditatief-weidse lijnen en sombere overpeinzingen, dat overigens nogal abrupt afliep, maar dat was natuurlijk verklaarbaar omdat het onderdeel is van een langer werk, met solisten, gediviseerd koor en een enorm orkest.

Het werd mooi en intens gespeeld, net als de daaropvolgende Rococo-variaties van Tsjaikovski, met als soliste de piepjonge Duits-Armeense celliste Charlotte Melkonian (13), die echter bij haar eerste inzet verrassend uitpakte met een ronde, volle toon, ook geholpen door de mooie, open acoustiek van het theater. Natuurlijk, ze kan interpretatief nog sterk groeien, maar om op deze leeftijd al zo zelfverzekerd en technisch volwassen te spelen is zeer veelbelovend. Haar toon beviel me: niet alles was perfect, maar ze zingt op haar instrument en haar klank draagt gemakkelijk door de zaal zonder geforceerd te zijn, ook in het pianissimo. Melkonian heeft, ondanks haar jonge leeftijd, al op veel plekken in de wereld les gehad van grote cellisten, en haar toon is dan ook zuiver en helder, en haar voordracht zal met de jaren zeker aan expressie en opbouw winnen en ze zal nog dieper in de snaar gaan spelen – brava!

Machtige inleiding
Zonder pauze werd overgegaan naar Brahms’ Eerste symfonie, die – uiteraard – heel kamermuzikaal klonk, waardoor het even wennen was aan de klankverhoudingen, ook omdat alle hoge strijkers, violen en alten dus, door elkaar heen stonden, waardoor de onderlinge dialogen weliswaar heel mooi uitgespeeld werden, maar voor het publiek iets te homogeen werden. Het is een keuze, die voor sommige stukken wellicht beter zal werken, maar voor Brahms… ik weet het niet, want dusdoende hadden de strijkers ook minder steun aan elkaar. Het was allemaal wel erg spannend om te zien of het allemaal lukte, zo zonder bladmuziek, maar het bleek geen probleem. De houtblazers namen het muzikale voortouw en vuurden, half dansend, vanachter het orkest hun collega’s aan, thema’s en motieven aan elkaar doorgevend en zich soms zelfs hergroeperend voor bepaalde passages – allemaal heel leuk om te zien, hoewel de Hamburgse componist het misschien allemaal hoofdschuddend zou hebben aangezien. De grote orkestclimaxen klonken natuurlijk niet zo overweldigend als met een groot orkest, maar door de kundige leiding van Robert Treviño voelde dat niet als een al te groot gemis – zo compenseerde bijvoorbeeld de paukenist het gebrek aan gravitas door zijn machtige inleiding op twee pauken te spelen: dat werkte goed.

Aanstekelijke muzikale saamhorigheid
In het kamermuzikale tweede deel kwam het ensemble pas goed tot zijn recht: prachtige, lyrische houtsoli en een vioolsolo om van te smullen, met een zeer lange slotnoot met een nog veel langer vibrato, zelfs toen de noot allang was weggestorven – mooi. Net als in Amsterdam wilde ook hierna het publiek eigenlijk gaan klappen, maar werd door de Italiaanse kenners gelukkig terechtgewezen door een luid ‘Sssstt…!’ – misschien een idee voor de Nederlandse concertgangers? De klarinetsolo in het derde deel was een droom (maar ook de andere blazers waren mooi), en het vierde werd snel en dreigend ingezet, en de orkestleden maakten onderling veel contact en er ontstond een grote en aanstekelijke muzikale saamhorigheid, waarin de muziek werkelijk retorisch werd. De slotversnelling was spectaculair en spannend, en dirigent Treviño zorgde voor een perfecte, volle en bevredigende slotclimax, die veel applaus opriep, beloond met een spannend gespeelde vijfde Hongaarse dans van Brahms, compleet met een melancholisch ronddolende eerste hoboïst – heel leuk. Daarna volgde een prachtig en intiem ‘Slaaplied’, waarbij de strijkers zacht tokkelden en de overige musici loepzuiver (bijzonder!) en intiem zongen – werkelijk schitterend. Een onalledaags concert van een onalledaags orkest. Volgende week, woensdag 30 september, zal het orkest van Santa Cecila een Rachmaninov-programma spelen, waarschijnlijk met een heerlijk-allesverzengende orkaankracht. Wie niets te doen heeft, die dagen: stap op het vliegtuig, want dat wil je niet missen!
Peter Schlamilch
Meer info: accademiafilarmonica.org en baltic-sea-philharmonic.eu