Festival ‘Autour du piano’ in Cayeux sur mer biedt podium aan meesters en jonge talenten

Door Willem Boone
Vardan Mamikonian, piano en Didier Castell-Jacomin, piano 15 juli
Bij het eerste concert van pianisten Vardan Mamikonian en Didier Castell-Jacomin in de warme Chapelle des Marins in Cayeux sur mer was er een programmawijziging, waarbij helaas de Danse macabre van Saint-Saëns in de versie voor twee piano’s en de Armenian Rhapsody voor twee piano’s van Babadjanian sneuvelden. Dat was jammer, want het eerste stuk hoor je zelden in deze vorm en van de componist Babadjanian klinken nauwelijks composities in de concertzaal. Daar stond tegenover dat Vardan Mamikonian nu twee solostukken van laatstgenoemde componist speelde: Elegie en Fantasie. Het eerste stuk was aanvankelijk kalm en laatromantisch, maar ook levendig van karakter. De Fantasie was een stuk waarbij het vuur oplaaide en daarin imponeerde Mamikonian met zijn soepele pianistiek. Didier Castell-Jacomin begaf zich op bekender terrein met het tweede van de Drei Klavierstuecke D 946 van Schubert. Hij speelde dit met veel gevoel voor deze componist. De Fantasie in f voor pianoduo van Schubert behoort tot het meest gespeelde repertoire, maar klonk in zoverre anders dat deze nu op twee piano’s gebracht werd. Je zou je kunnen afvragen waarom hiervoor gekozen was. Mamikonian vertelde mij de dag erna dat het vanwege een praktische reden was: naast elkaar gezeten achter hetzelfde instrument, zitten de pianisten elkaar in de weg doordat hun handen soms in elkaar grijpen. Gespeeld op twee piano’s waren beide partijen nu beter te horen, maar in de fuga zorgde het er aan de andere kant voor dat de klank wat te zwaar werd. Twee piano’s kunnen al snel ‘orkestraal’ klinken, wat minder strookt met het karakter van deze muziek. Overigens was het tempo aan het begin plezierig doordat het niet te ‘slepend’ klonk, zoals soms gebeurt.

Mozarts Sonate facile in c KV 545 in de bewerking van Grieg voor twee piano’s is wat mij betreft niet meer dan een curiosum. Ik kan me voorstellen dat het voor de pianisten ‘leuk’ is om te spelen, maar als luisteraar weet je niet altijd wat je met het zwaar romantische, sentimentele sausje waarmee Mozarts origineel overgoten wordt, aan moet. Je kan je afvragen of het sublieme origineel dit wel nodig had. In het laatste deel was dat origineel trouwens bijna niet meer te herkennen. Mamikonian en Castell-Jacomin speelden het zeker goed, maar pas echt goed kwam het met de 100% originele Mozart in de niet minder sublieme sonate voor 2 piano’s in d KV 448. Het eerste deel was echt ‘con spirito’, zonder dat het te snel gespeeld werd. Beide pianisten speelden ook de herhaling van de re-expositie, wat bij zulke blijmoedige muziek alleen maar een ‘feestje’ is. In het middendeel kwamen zij tot een uitwisseling dankzij dit meesterlijke stuk van Mozart. Het laatste deel werd levendig, maar wederom gelukkig niet te snel gespeeld.

Tania Cardillo, piano 16 juli
De Italiaanse pianiste Tania Cardillo begon haar recital op rustige wijze met de Sonate K 87/L 33 in b van Scarlatti. Het is zo’n typisch kleinood, waar deze componist in enkele minuten een hele wereld weet op te roepen, in dit geval een die nostalgisch en soms triest was. Cardillo speelde het op een no-nonsense wijze met een toon die misschien iets te groot was. Het punt van haar toon kwam tijdens dit recital wat mij betreft vaker terug. Zij is een uitstekende pianiste die meer dan berekend voor haar taak is, ik vroeg mij alleen af of haar klank paste bij een aantal van de stukken die zij gekozen had. Bij de inzet van de Fantasie in c KV 475van Mozart leek het erop dat het eerste akkoord te fors voor deze componist was. Datzelfde gevoel had ik bij de forte-akkoorden, later in hetzelfde stuk. Soms miste er een bepaalde verfijning, al speelde zij de bassen met veel gevoel.
Ook het allegretto in c D 915 van Schubert, een op het oog bijna argeloos stuk, had geheimzinniger kunnen klinken, zoals bijvoorbeeld in de vragende manier waarop de componist begint. De vierde ballade van Chopin was indrukwekkend door de krachtige wijze waarop Cardillo de muziek weergaf, vooral de coda mocht er wezen.

Wat mij beviel aan haar lezing van de Intermezzi opus 117 van Brahms, was het tempo dat gelukkig niet te langzaam uitviel. Haar toon had gewicht en haar benadering van deze muziek was sterk en viriel. De wereldpremière van Intermezzo opus 43 nr 8 van Luca Moscardi was overtuigend onder haar handen. De muziek was in gangbaar idioom geschreven en deed soms vaag aan Fauré en ook aan Prokofiev denken. Het was aardig dat ze twee stukken van Balakirev speelde, waaronder nu eens niet diens bekende Islamey.De Nocturne nr 3 en Impromptu over thema’s van twee preludes van Chopin speelde zij ook heel overtuigend. Na twee toegiften van Moscardi was vooral de laatste toegift ontwapenend: Fuer Elise van Beethoven, langzaam en met gevoel voor eenvoud gespeeld.
Eren Parmakerli, piano 17 juli
Tijdens dit festival speelden afwisselend ervaren, bekende pianisten en jonge, veelbelovende talenten. Wat de laatste groep betreft, was de 15-jarige, Turkse pianist Eren Parmakerli een goed voorbeeld. Hij begon met de Fantasie in d KV 397 van Mozart en liet daarbij direct horen over een fijnzinnig toucher te beschikken. Zijn forte klonk natuurlijk en met veel gevoel voor de stijl van deze componist. Het was jammer dat hij niet het in het programma aangekondigde Rondo in a KV 511 van Mozart speelde. Ook in Debussy’s Children’s Corner liet hij horen goed raad met een geheel ander idioom te weten. In Doctor Gradus ad Parnassum was zijn spel dromerig en liet hij mooie kleuren horen, al klonk het eind misschien wat zacht. In Jumbo’s Lullaby waren zijn pedaaleffecten bijzonder en bracht hij op treffende manier de diverse ‘plans sonores’ in rechter- en linkerhand aan. In Serenade fort he doll slaagde hij erin te bereiken wat Debussy ooit over een piano zei: ‘Je moet vergeten dat het instrument hamers heeft.’ Ook in The Little Shepherd was zijn spel zeer geraffineerd.
De Etude opus 10 nr 12 van Chopin liet hij tegelijkertijd subtiel en als een woeste lavastroom klinken. Terwijl de Nocturne opus 15 nr 2 mij iets minder overtuigde, was de Derde ballade duidelijk van opbouw en waar nodig krachtig. Parmakerli weet hoe hij spanning moet opbouwen.

De Suggestion diabolique van Prokofiev zorgde voor een gepeperd intermezzo en verbaasde in zoverre dat deze meestal als toegift en niet als onderdeel van een recitalprogramma klinkt. Technisch was zijn spel indrukwekkend, al zou de muziek wat mij betreft nog sardonischer mogen klinken.
Het was aardig dat de pianist twee korte composities van de Duitse componist Anno Schreier speelde, beide contemplatief van karakter. Al net zo aardig waren drie stukken van de Turkse componist Saygun, een vriend van Bartok. Beiden – zo vertelde de pianist – reisden samen en verzamelden folkloristische muziek. Zijn stukken waren beurtelings ritmisch sterk, percussief en maakten duidelijk dat hij een goed pianist geweest moet zijn!
Als eerste toegift speelde Parmakerli allereerst het Rondo capriccioso van Mendelssohn, een technisch lastig stuk dat hij gelukkig in een niet te snel tempo nam. Soms was zijn spel misschien wat te bedeesd, maar de octaven aan het eind waren krachtig. Origineel was de tweede toegift, de korte Toccatina van Clara Wieck. Castell- Jacomin spoorde de jonge pianist vanuit het publiek aan om nogmaals de Revolutie-etude van Chopin te spelen, wat hij wederom op indrukwekkende manier deed.
Maria Gabriella Mariani, piano 18 juli
Soms heb je als luisteraar van die prettige verrassingen bij een festival en wat mij betreft was de Italiaanse pianiste Maria Gabriella Mariani de verrassing van deze vijf dagen! Hoewel zij al lang meedraait, had ik nog nooit van haar gehoord, maar nu is zij een naam die ik niet licht zal vergeten. Zij studeerde ooit bij Aldo Ciccolini en behalve pianiste is zij ook schrijfster met diverse romans op haar naam. Verder componeert zij en heeft ze een groot talent voor improvisatie. Niemand minder dan Martha Argerich stimuleerde haar om met dat laatste door te gaan. Ik zag Mariani na een masterclass in de Chapelle des Marins en zij leek met haar geringe lengte en gewicht een bijna onopvallende verschijning. Met recht ‘bijna’, want toen zij zich aan de vleugel zette en gedeeltes uit de Sonate in b van Liszt speelde, ontpopte zij zich als een ware tijgerin. Daarbij was het bijna onvoorstelbaar om te begrijpen waar zij de kracht vandaan haalde om zo fel in de toetsen te grijpen. Deze indrukken en een interview dat ik ’s middags met haar had maakte alleen maar nieuwsgierig naar haar optreden die avond! Zij had het zich voor de pauze bepaald niet gemakkelijk gemaakt met drie bekende variatiewerken, allereerst de Variations sérieuses van Mendelssohn. Ze speelde deze met vuur, geheel in de geest van de componist. Opvallend waren haar concentratie, de meeslepende manier waarop zij de coda speelde en de wijze waarop zij de hoogste noot er wanneer dat nodig is uit laat springen.

De Variaties over een thema van Schumann opus 9 van Brahms hoor je maar hoogstzelden en ze zijn overwegend ingetogen, meer dan de Haendel – of Paganinivariaties van dezelfde componist. Haar uitvoering was poëtisch en gespeeld met een fluwelen toon. Ook de Abegg-variaties van Schumann klinken lang niet zo vaak tijdens recitals als je zou willen. Mariani speelde ze energiek, soms wat neigend naar een briljante interpretatie. Sommige variaties hadden een fractie langzamer kunnen klinken.
Na de pauze lag het zwaartepunt op de beroemde Sonate in b klein van Liszt. Ondanks haar frêle voorkomen (dat mij trouwens aan de actrice Audrey Hepburn deed denken!) liet de pianiste de vleugel ‘steigeren’ en speelde zij met een fenomenale kracht en temperament. Het grandioso was ‘werkelijk grandioso’ en in het daarop volgende cantabile liet zij de piano zingen. De enige manier waarop je haar kracht kunt verklaren is dat zij kennelijk uiterst precies weet hoe zij haar energie moet doseren. Gedurende het hele concert speelde zij met gebogen hoofd, zonder iedere overbodige beweging. Daarbij slaagt zij er blijkbaar in om waar dat kan te ontladen en zich dan – ook al gaat het om fracties van seconden – direct weer op te laden, als een dynamo. Dat zou dan verklaren hoe zij als het ware zonder beperkingen maar door kan gaan. En zij moet over een ijzeren wilskracht beschikken om een stuk als deze sonate van Liszt te spelen, met haar handen die vrijwel net zo klein als die van Pires zijn en die haar bijna per definitie ‘ongeschikt’ voor dit repertoire maken. Om het dan toch (en dan op zo’n manier!) te doen, dankzij regelmatig strekoefeningen en een ijzeren moraal is meer dan bewonderenswaardig! Er waren nog tal van andere bewonderenswaardige details, soms ook details waar je kanttekeningen bij kan plaatsen. Zo vond ik het jammer dat zij de dalende chromatische loopjes (kort voor de fuga) vrij snel speelde. Aan het eind van het indrukwekkende tremolo na de stretta hield zij weliswaar het pedaal aan, maar niet heel lang. Ook dat vond ik jammer, want juist daar kan je een orkestraal volume uit een vleugel halen. Maar dat doet niets af aan de overweldigende indruk die deze uit een rots gehouwen visie achterliet.
Vervolgens speelde zij een aan Didier Castell-Jacomin opgedragen compositie ‘Come l’onda, een waar stuk vuurwerk van bijna 10 minuten, met veel passie en pianistisch vertoon. Zij had zelfs nog energie voor diverse toegiften, zoals Widmung van Schumann/Liszt (prachtig), een stukje Verdi met meeklappend publiek (had voor mij niet gehoeven) en de wals opus 39 nr 15 van Brahms. Castell-Jacomin vroeg vanuit de zaal of ze ‘nu onderhand echt niet moe was’, waarop ze heel overtuigend ‘nee’ zei. Later, tijdens het diner die avond, zei ze daarover nog dat ze van muziek ‘nooit moe werd’. Een waar fenomeen, deze pianiste, van wie ik hoop dat ik haar vaker kan horen!

Akin Nilphairojanam, piano 19 juli
Met zijn 12 jaar was de Thaise pianist Akin Nilphairojanam de jongste musicus tijdens dit festival. In 2025 won hij in Bangkok het Steinway concours voor jonge pianisten. Zeggen dat hij ‘goed piano kan spelen’ is wat je noemt een eufemisme.
Hij heeft een verbluffende vingervaardigheid en kan ook zeer muzikaal spelen, wat echter niet betekent dat hij op deze jonge leeftijd al in elk repertoire kan overtuigen. Bijzonder is de manier waarop hij aan de piano zit: geconcentreerd en alleen zijn vingers bewegen. Hij begon met de weinig gehoorde Carmen fantasie RV 284 van Busoni. Aanvankelijk klonk zijn toucher fel, maar al snel liet hij een mooi cantabile horen. Hij legde direct de lat hoog, want Busoni schreef met deze fantasie (waarin zo ongeveer alle highlights uit Carmen in sneltreinvaart achter elkaar voorbijkomen!) een virtuoos stuk. Nilphairojanam is een vroegrijp talent en je zou kunnen zeggen dat hij technisch nu al net zo goed speelt als de andere pianisten die tijdens dit festival optraden. Zijn vertolking van Schuberts Wandererfantasie was voortvarend, krachtig en in een hoog tempo gespeeld. Hij zou zeker bij Schubert meer aan de expressie kunnen doen, zoals in het tweede deel waarin de componist zijn eigen lied ‘Der Wanderer’ citeert. Door het hoge tempo in zowel het derde en vierde deel speelde hij soms over de muziek heen. Maar dat zijn marginale opmerkingen en het zijn zaken waar hij uiteraard nog rustig aan kan werken. De keuze voor Gaspard de la nuit van Ravel (althans de delen Ondineen Scarbo) vond ik nogal gewaagd. Het is natuurlijk bewonderenswaardig dat een 12-jarige ook dit berucht lastige repertoire al speelt, maar ik vraag me af of je dat op die leeftijd al moet willen. Ondine kon me nog het meest overtuigen, het begon kalm, maar bij de climax werd zijn spel luid. Ook de vele halftinten die Ravel voorschrijft, kwamen er niet overal goed uit. Bij Scarbo – misschien wel ’s werelds meest beruchte pianostuk – viel direct het hoge tempo op, te hoog wat mij betreft. Het was technisch verbluffend, maar doordat hij zo snel speelde, kwam alles gejaagd over. Het was op een bepaalde manier ook diabolisch, maar niet hypnotisch en dat is een gevoel dat dit stuk vaak bij je achterlaat. Een langzamer tempo zou de vele vondsten van Ravel beter uit laten komen en daarmee zou je naar een nog indrukwekkender climax kunnen werken. Ik zou zo’n jonge pianist aanraden om dit soort supervirtuoos repertoire nog een tijd te laten rijpen. Zijn eerste toegift, de zesde Paganini-etude van Liszt, was oneerbiedig gezegd ‘meer van hetzelfde.’ Al even verbluffend, maar het blijft wat lege muziek en je ontkomt niet helemaal aan de indruk dat iemand wil epateren. Dan was het eerste deel uit de sonate nr 8 in a KV 310 van Mozart een heel ander verhaal, heel gaaf en bijna furieus gespeeld, maar jammer genoeg wel in een erg rap tempo.

Erik Muller, piano 19 juli
Na de pauze volgde er iets geheel anders: de Franse pianist Erik Muller speelde drie bewerkingen van bekende orkestpartituren. Hij bracht daarmee een buitengewoon origineel programma, dat niet alleen een enorme virtuositeit, maar ook veel voorstellingsvermogen van de pianist vergde.
Want ga er maar aan staan: een overbekend orkeststuk spelen op slechts één vleugel. Als je het sceptisch wilt beschouwen, kan je zeggen dat zoiets hoogstens een slap aftreksel van het origineel oplevert. Ondertussen klonk l’Apprenti sorcier (De tovenaarsleerling) van Dukas mysterieus in de inleiding en voortvarend in het snellere gedeelte, soms gespeeld met een fel toucher. Muller slaagde erin om het stuk ook een diabolische lading mee te geven.
Daarna volgde Une nuit sur la montagne chauve (Een nacht op de kale berg) van Moussorgsky, waar vooral het sterke gevoel voor ritme van de pianist opviel, die staaltjes van ware pyrotechniek moest uithalen om deze bij vlagen ‘onmogelijke’ transcriptie uit te voeren. Ook deze muziek heeft een sterk diabolisch karakter, maar het eind ervan bracht ook rust en eenvoud.
Ten slotte speelde Muller Les pins de Rome (De pijnbomen van Rome), dat onderdeel uitmaakt van de trilogie die Respighi bij het grote publiek bekend gemaakt heeft (Les fontaines de Rome, Les pins de Rome, Les fêtes romaines). De transcriptie van Les pins de Rome ontstond in 2024, precies 100 jaar nadat Respighi het origineel schreef. In het eerste deel, Les pins de la villa Borgèse, waren de sonore akkoorden indrukwekkend. Deze klonken ook op de piano kleurrijk. De langzamere gedeeltes, Les pins près d’une catacombe en Les pins de Gennicule klonken pianistisch en minder ‘overspannen’ dan het eerste en vierde deel. Daarin viel nog meer dan in Dukas en Moussorgsky het veelkleurige toucher van de pianist op. In het laatste deel, Les pins de la voie Apienne kwam Muller tot een machtig crescendo dat zelfs op de vleugel zeer orkestraal overkwam en soms bijna raakte aan de grenzen van wat op een piano mogelijk is. Het was een geweldige prestatie om zulke gecompliceerde muziek uit het hoofd te spelen. Je moet er niet aan denken om hoeveel noten het in dit geval gaat…
Als toegift speelde de pianist nog twee geestige transcripties voor piano solo van het Carnaval des animauxvan Saint-Saëns. Daarmee was het nog niet helemaal voorbij, want er volgden nog twee vierhandige walsenvan Brahms, charmant gespeeld door Akin Nilphairojana, respectievelijk met Didier Castell-Jacomin en Erik Muller. En dat betekende echt het einde van de fraaie editie van 2026.
Willem Boone