Pianist Jonathan Fournel tilt de sonate van Liszt boven haar niveau uit

Blaricum Music Festival 2026. Jonathan Fournel, piano. Werken van: Beethoven: Sonate nr 31 in as opus 110, Chopin: Andante spianato en grande polonaise brillante opus 22, Medtne:Twee sprookjes opus 20 en Liszt: Sonate in b. Gehoord: Vituskerk, Blaricum, 30 juni 2026
Door Willem Boone
Het is de schrik van iedere impresario of organisator: dat een bekend musicus al dan niet op het laatste moment afzegt. Wat dat betreft werd het Blaricum Music Festival dit jaar niet gespaard: violist Augustin Dumay moest wegens een tendinitis annuleren. Nog vervelender was dat de jonge pianist Nikola Meeuwsen door afwezigheid schitterde. Organisator Peter Santa deelde laconiek mede dat ‘zijn rechterhand er even mee stopte’ en dat is hopelijk minder ernstig dan het nu klinkt. Het kwam behoorlijk alarmerend over dat zo’n jong musicus al te kampen heeft met een dergelijk probleem, te hopen is dat het van tijdelijke aard is en dat hij weer snel op de podia terugkeert. Santa slaagde er in elk geval in om vervanging ‘op niveau’ te regelen in de hoedanigheid van de Franse pianist Jonathan Fournel, de vorige prijswinnaar van het Koningin Elisabeth Concours (2021) die inmiddels een bloeiende carrière heeft opgebouwd.

Heldere Beethoven
Hij opende zijn programma met Beethovens voorlaatste Sonate, nr 31 in as opus 110. Het viel daarbij op dat hij in deze serene muziek direct tot de essentie doordrong met een heldere, goed geprojecteerde toon. Daarmee wist hij zelfs de lastige, galmende akoestiek van de Vituskerk te ‘bedwingen’. Hij leek er nauwelijks last van te hebben en liet de muziek stromen. Ontroerend waren de zingende lijnen. Dat zijn spel ook fel kan zijn, bewees hij in het korte tweede deel, Allegro molto. Dit schijnt technisch een van de moeilijkste delen uit alle pianosonates van Beethoven te zijn, maar hij had er geen moeite mee. Het zwaartepunt van de sonate vormt het derde deel, waarbij het Adagio ma non troppo, arioso dolente en fuga allegro ma non troppo zonder onderbreking in elkaar overgaan. Direct aan het begin klonk zijn toon menselijk en warm. Hij speelde het Arioso dolente als een recitatief, waarbij het herinneringen opriep aan een acteur die zijn tekst voordraagt. Deze muziek zou al een wonder zijn als ze geschreven was door een componist die kon horen. Dat ze echter opgeschreven is door iemand die op dat moment geheel doof was, blijft een wonder. Het is moeilijk te begrijpen hoe een componist zo diep kan peilen. In de fuga was zijn stemvoering helder en zongen alle stemmen. Fraai was de voorwaartse beweging van de muziek. Indrukwekkend waren de sonore akkoorden zoals ze kort voor de reprise van de fuga klonken. Pianiste Edith Fischer zei hierover ooit dat veel pianisten de gewoonte hebben om hier het tempo te versnellen, terwijl dat niet voorgeschreven staat in de partituur. Fournel deed dat hoogstens een beetje tegen het eind, maar wist in deze paar bladzijden een enorme spanning op te bouwen.

Chopin en Medtner
Vervolgens speelde hij van Chopin het Andante spianato en grande polonaise brillante opus 22, een jeugdwerk dat een enigszins bijzondere positie binnen Chopins oeuvre inneemt. Het is een stuk, waar de componist openlijk virtuoos uit de hoek komt, wat hij anders niet vaak doet. Mooi was de ruisende begeleiding in zijn linkerhand en de zangerige melodie in de rechterhand. De piano deed meermaals aan een harp denken.
De polonaise was sprankelend van karakter, de pianist had plezier in de virtuositeit, maar verloor zich niet in effectbejag. Over zijn vertolking lag een soort schittering die de muziek liet glanzen. Na de pauze brak hij een lans voor het grotendeels onbekende werk van Medtner. Zijn werk wordt soms laatdunkend afgedaan als ‘tweederangs Rachmaninoff’, wat niet fair is. Het is in zoverre te begrijpen dat laatstgenoemde componist toegankelijker schreef en muziek componeerde die je kunt nafluiten, wat bij Medtner veel moeilijker lukt. Zijn twee sprookjes opus 20 zijn kort van vorm en zeer pianistisch geschreven. Tegelijk zijn ze ook erg notenrijk, wat het voor een pianist moeilijk maakt om ze te memoriseren. Nr 1, allegro con espressione, had een diabolisch karakter, wat bij een sprookje goed denkbaar is. Ook nr 2, Campanella, pesante, minaccioso wekte allerminst de indruk van een niemendalletje, maar van een episch verhaal.
Liszt met grandeur
Dat zorgde voor een mooie overgang naar de Sonate in b klein van Liszt. Het blijft een lastig te temmen stuk, waarbij je als pianist uiteraard over veel techniek, maar daarnaast over gevoel voor muzikale overgangen moet beschikken. Het bestaat uit een aantal delen of liever gezegd episodes die zonder onderbreking in elkaar overgaan. Die moet je als pianist aan elkaar smeden en wanneer dat niet gebeurt, valt deze sonate uiteen in veel brokstukken die het een rapsodische, onsamenhangende uitstraling geven. Het mooie is dat Liszt de sonate net zo eindigt als hij haar laat beginnen en eigenlijk moet een pianist tussen deze eerste en laatste noot een gigantische boog spannen. Het gevaar bestaat dat je je als musicus toch teveel focust op bepaalde passages, waardoor de overkoepelende visie mist. Het knappe van Fournel was dat hij de tijd nam voor iedere passage op zich, vooral de poëtische, verstilde gedeeltes, en daarbij met veel aandacht fraseerde, zonder dat dit ten koste van de grote lijn ging. Direct aan het begin wist hij in het grandioso een bijna orkestraal timbre aan de piano te ontlokken. In de snelle, frenetieke gedeelten speelde de akoestiek hem soms parten, waarbij sommige passages aan helderheid verloren. Hij wist ook het diabolische element in deze muziek raak te treffen en zijn spel deed soms aan gesmolten lava denken. Het was mooi om te zien hoe hij daarvoor zijn momenten pakte. Heel indrukwekkend was ook de stretta, kort voor de laatste bladzijden, maar ik vond het jammer dat hij na het grote tremolo bijna direct het rechterpedaal weghaalde. Als je dat door laat klinken, zorgt het voor een overweldigend, bijna apocalyptisch geluidseffect, dat nu vrijwel direct weg was. Het was een kleinigheid in een verder opvallend muzikale uitvoering van deze sonate, die de muziek een gevoel van grandeur en ‘klasse’ gaf die ze niet van nature in zich heeft. De pianist kwam tot een knappe, persoonlijke herschepping die hij heel bijzonder met de laatste noot liet uitdoven.

Siloti als toegift
Na een moment van (indrukwekkende) stilte barstte een verdiende ovatie los. De pianist beantwoordde deze met de prelude in b van Bach, bewerkt door Siloti. Met dit fraaie kleinood wist hij op passende wijze te enigszins verhitte gemoederen na Liszt weer te bedaren.
Willem Boone
Fot’s Marco Borggreve e.a.
Info: www.blaricumfestival.com