Pianiste Giorgini beschaafd in virtuoze Tchaikovski, Belgian National Orchestra zeer overtuigend in Rachmaninoff

Belgian National Orchestra o.l.v Alpesh Chauchan, m.m.v Saskia Giorgini, piano. Werken van : Farrenc: Ouverture nr 2 in es opus 24, Tchaikovski: Eerste pianoconcert, Rachmaninoff: Symfonische Dansen opus 45. Gehoord: Concertgebouw Amsterdam, 23 juli 2026
Door Willem Boone
Het is aardig dat er naast veel (over)bekend orkestrepertoire tijdens de Vriendenloterijconcerten ook plaats is voor minder bekende stukken, zoals de Ouverture nr. 2 van Louise Farrenc. Deze componiste is bezig met een opmars en diverse van haar stukken staan terecht op orkestprogramma’s. Zoals in de toelichting terecht opgemerkt werd, verstond zij de kunst van orkestratie. Dat bleek onder meer uit de manier waarop zij de blazers, zoals de fluit en hobo behandelde. Het stuk begon plechtig, maar veranderde al snel in licht en transparant. De uitvoering van het Belgian National Orchestra had vaart en bracht precies wat je verwacht van een ouverture: een energieke opener, waardoor je in de stemming komt.

Tchaikovski
Of de Italiaans-Nederlandse pianiste Saskia Giorgini het zich bewust voorgenomen had of dat ze minder met de flamboyante virtuositeit van Tchaikovski’s Eerste pianoconcert had, haar uitvoering klonk anders dan je het normaal hoort. Ik woonde onlangs een recital van haar bij met onder andere muziek van Liszt. Het was daarbij tekenend dat zij niet koos voor nadrukkelijk virtuoze composities, maar juist voor meer introverte stukken als diens Consolations. Ook maakte zij een opname van de Harmonies poétiques et religieuses, waarbij het evenmin in eerste instantie om pyrotechniek gaat. Je doet het beroemde pianoconcert van Tchaikovski tekort door het te typeren als een ‘virtuoze kaskraker’ of ‘afgezaagd vehikel voor spektakel’, want het bevat wel degelijk lyrische momenten en meeslepende melodieën. Toch heeft menig rasvirtuoos juist aan dit concert zijn of haar reputatie te danken, want het biedt op een aantal momenten de gelegenheid om het publiek de adem te benemen met opzienbarende octavenpassages. En, toegegeven, als muziek- of pianoliefhebbers zijn dat de momenten waarop je op het puntje van je stoel gaat zitten en verwacht dat een solist zich als een roofdier op zijn of haar prooi stort.

Overwegend lyrisch
Dat was niet de aanpak die pianiste Giorgini voorstond. Nadat zij bijna op de lange trap uitgleed en zich aan de vleugel gezet had, klonk haar inzet niet te luid. Zij was er niet op uit om te epateren en haar aanpak bleef overwegend lyrisch. In het begin kwam zij niet overal boven het orkest uit, maar dat viel later niet meer op. Haar spel was opvallend verzorgd qua articulatie en haar akkoorden klonken weliswaar vol, maar nergens agressief.
De genoemde octavensalvo’s in het eerste deel waren ditmaal geen voorbeelden van musiceren op het scherp van de snede, maar maakten deel uit van een overkoepelende, beschaafde en muzikale visie op een overbekend concert. En dat is zeker niet denigrerend bedoeld! Ook in de cadens was haar spel helder en nam zij de tijd. Die helderheid kenmerkte ook in het Andante semplice, waarbij zij de vleugel delicaat liet klinken, begeleid door dito spel op de fluit. Het snelle prestissimo was ditmaal geen ‘scherzo van vuurvliegjes’ en haar spel bleef verzorgd en muzikaal.
In het afsluitende Allegro con fuoco viel op dat het orkest in elk geval met vuur speelde, maar Giorgini bleef daar wat bij achter. Overigens bleef zij het stuk technisch niets verschuldigd. Aan het eind bleef zij het orkest de baas, al ontbeerde de laatste octavenpassage een beetje spanning. Dit concert is ongeëvenaard waar het de opbouw van climaxen en de voorbereiding van een ovatie betreft en die kans pakte de soliste niet om te imponeren met virtuoos vertoon. Het was ‘Tchaikovski anders’ en ook die versie heeft bestaansrecht en kan ervoor zorgen dat je met andere oren naar een concert luistert dat je uit je hoofd meende te kennen. Giorgini beantwoordde het enthousiaste applaus met een melancholieke uitvoering van Oktober uit De jaargetijden van Tchaikovski.

Melancholieke Rachmaninoff
Na de pauze kreeg het orkest alle gelegenheid om te schitteren in Rachmaninoffs Symfonische Dansen.Dirigent Chauhan liet direct het korte, pregnante motief waarop de eerste dans (Non allegro) gebaseerd is, uiterst ritmisch en gearticuleerd spelen. Wat daarbij opviel waren de sterke blazers van dit orkest met mooie timbres van de klarinet, Engelse hoorn, hobo en in het eerste deel natuurlijk de solo op saxofoon, die verleidelijk klonk. Van deze componist wordt vaak gezegd dat hij ‘conservatief’ was, maar toch was het voor die tijd behoorlijk modern om een solo voor saxofoon te schrijven. De melancholie in dit deel kreeg het volle pond. In het tweede deel, Andante con moto (Tempo di valse) was de solo van de concertmeester innig. De breed gebarende dirigent kreeg het orkest mee. Zijn gestiek leek soms bijna op die van een balletdanser en de sprongetjes deden aan de befaamde ‘Lenny leaps’ van Leonard Bernstein denken. Maar als gezegd, het werkte wel en met de meeslepende strijkers kreeg de melancholie prachtig gestalte. In het laatste gedeelte (Lento assai – allegro vivace) leverden dirigent en orkest wederom ritmisch strak spel, wat bij deze componist een belangrijke plus is. In het langzamere gedeelte wist Chauhan het orkest te verleiden tot de donkere klank die zo goed bij Rachmaninoff past. En uiteraard pakten alle musici aan het eind uit, vooral de grote trom en percussie-instrumenten en kwam het onheilspellende Dies Irae-motief duidelijk uit. Ik heb zelden zo’n overtuigend pleidooi voor de orkestversie van deze Symfonische Dansen gehoord!
Willem Boone

Info:
https://www.concertgebouw.nl/vriendenloterij-zomerconcerten