Rossini Opera Festival: L’Italiana in Algeri vocaal en orkestraal subliem
Gioacchino Rossini: L’Italiana in Algeri. Orchestra del Teatro Comunale di Bologna o.l.v. Dmitry Korchak. Regie: Rosetta Cucchi. Coro del Teatro Ventidio Basso. Met: Giorgi Manoshvili (Mustafà), Vittoriana De Amicis (Elvira), Andrea Niño (Zulma), Gurgen Baveyan (Haly), Josh Lovell (Lindoro), Daniela Barcellona (Isabella), Misha Kiria (Taddeo). Gehoord: 18 augustus 2025, Teatro Rossini, Pesaro
Door Peter Schlamilch
Op 37-jarige leeftijd, op het hoogtepunt van zijn roem, stopte Gioacchino Rossini plotseling met het componeren van opera’s, een beslissing die nog steeds een mysterie is voor musicologen. Mogelijke redenen waren gezondheidsproblemen, vermoeidheid, financiële onafhankelijkheid of de opkomst van nieuwe componisten zoals Bellini en Donizetti, die nieuwe, romantischer stijlen introduceerden – echt opgelost is het grote raadsel nooit. Feit is dat hij in twintig jaar 39 opera’s geschreven had, en zijn creativiteit in zijn laatste opera, Guillaume Tell, nog verre van opgedroogd leek.

Vrije wil
L’Italiana in Algeri, de opera die ik onlangs tijdens het Rossini Opera Festival in Pesaro zag, wordt beschouwd als een van Rossini’s meesterwerken in het komische genre, en hoewel Rossini pas 21 jaar oud was toen hij het schreef was hij al een gevestigde naam dankzij eerdere successen zoals Tancredi. Volgens de overlevering componeerde hij L’Italiana in slechts 27 dagen (sommigen zeggen zelfs 18 dagen), wat zijn uitzonderlijke talent en productiviteit aantoont: hij werd niet voor niets de ‘Italiaanse Mozart’ genoemd. L’Italiana is een dramma giocoso, een subgenre van de opera buffa dat humor combineert met dramatische elementen. Het werk is bruisend, energiek en zit vol met Rossini’s kenmerkende, sprankelende melodieën en virtuoze vocale partijen, speelt zich af in Algiers en draait om de avonturen van Isabella, een slimme en zelfverzekerde Italiaanse vrouw, die haar geliefde Lindoro probeert te redden uit gevangenschap. De Bei (heerser) van Algiers, Mustafà, is verveeld met zijn vrouw Elvira en verlangt naar een nieuwe liefde, en beveelt daarom zijn dienaar Haly om een mooie vrouw voor hem te vinden die niet alleen uit onderworpenheid, maar uit kracht en vrije wil van hem zal houden.

Rossini-paradijs
Mustafà werd fenomenaal gezongen door de Georgische bas Giorgi Manoshvili, die met zijn indrukwekkende en doordringende bas niet alleen de harten van de luisteraars stal, maar ze tevens aan de slappe lach kreeg door zijn geweldige komische acteertalent: heerlijk hoe hij zijn nieuwe ‘aanwinst’ achterna zit, maar ook door ‘haar’ wordt vernederd en bespot. Een betere zanger voor deze rol kon ik me bijna niet indenken, en datzelfde gold voor de Triestse Daniela Barcellona, die de rol van Isabella, de ontvoerde Italiaanse, zong. Net als Manoshvili waren niet alleen al haar coloraturen van topklasse, maar ze zette ze ook nog in als expressief middel, wat in Pesaro wel een stijlkenmerk lijkt, en terecht: hoe vaak horen we Rossini-coloraturen niet wezenloos uitgevoerd, zonder betekenis of expressie, maar slechts als virtuoze overweldiging? Zo niet in Pesaro, waar de artistieke leiding er kennelijk scherp op toeziet dat Rossini’s talloze noten altijd beeldend worden ingezet, komisch of ernstig – heerlijk, want zo hoort het. Regisseuse Rosetta Cucchi had haar prachtige verschijning danig toegetakeld, want ze verscheen als complete drag queen ten tonele, voorwaar niet de kokette Italiaanse waar Mustafà op gerekend had, hetgeen tot bovengenoemde hilarische verwikkelingen leidde. Barcellona’s mezzosopraan was echter zo romig, haar coloraturen zo perfect en hemels en haar timbre zo geraffineerd dat we deze poppenkast al snel vergaten en wegdroomden in een onvergetelijk Rossini-paradijs, ook als ze haar stem even liet grommen en bijna ging belten – de applausen die ze oogstte duurden, terecht, eindeloos.

Waan van de dag
Misha Kiria zette een uitstekende Taddeo neer, volumineus en voluit zingend en steeds sterk spelend, en Josh Lovells Lindoro was indrukwekkend van snelheid en accuratesse. Dirigent Dmitry Korchak, de wereldberoemde tenor die daarnaast ook dirigent is, leidde het Orchestra del Teatro Comunale di Bologna voortvarend en zorgde voor vlotte, soms razende tempi, ook in de secco-recitatieven, die heerlijk vloeiend en bovenal natuurlijk klonken. Hij creëerde verrukkelijke versnellingen in diverse finales, en zorgde voor die sprankelende muzikale ‘chaos’ die zo bij Rossini hoort. Het orkest, dat ik de avond erna zou horen in Zelmira, presteerde uitstekend, hoewel de briljante en geraffineerde orkestklank die ik in Zelmira hoorde door de zeer droge acoustiek in het Teatro Rossini minder tot zijn recht kwam, net als van alle orkesten die daar speelden, overigens: misschien is er door relatief eenvoudige ingrepen iets aan te doen? Hoe dan ook, het was een heerlijke, dolkomische commedia dell’arte-achtige avond van wereldniveau met uitstekend decor en dito belichting, die helaas ontspoorde toen, in de laatste 15 minuten, regisseur Rosetta Cucchi haar tot dusverre briljante en hoogst vermakelijke regie meende te moeten inzetten voor een belegen Woke-statement waar inmiddels helemaal niemand meer op zit te wachten: genderflcuïditeit en andere onzinnigheden vlogen ons om de oren, terwijl de zangers dapper doorzongen – wanneer houden regisseurs nou eens op om de waan van de dag te vertalen naar het operatoneel, terwijl ze de eeuwige waarheden over het hoofd zien?
Peter Schlamilch

Info:
https://www.rossinioperafestival.it/en/archive/year-2025/litaliana-in-algeri/