Schumann en Beethoven gezien door ogen van Shunske Sato

Nederlands Kamerorkest o.l.v. Shunske Sato. Robert Schumann: Allegro – Adagio – Tempo primo uit Symfonie in g ‘Zwickau’, Ludwig van Beethoven: Symfonie nr. 4, Clara Schumann: Pianoconcert in a, Robert Schumann – Langsam uit Vioolconcert in d, Robert Schumann: Introductie en allegro in d, op. 134. Met Shunske Sato viool, leiding en Alexander Melnikov, piano. Gehoord: 28 februari 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam
Door Peter Schlamilch
Ik ben verzot op musici die sterke opvattingen hebben, zeker als die tegendraads zijn en sterk tegen de stroom in zwemmen, en de Japanse violist (hij speelt zowel barokviool als moderne instrumenten) en ensemble-leider Shunske Sato is zo’n musicus, zo bleek afgelopen zaterdag in de Grote Zaal van het Concertgebouw.
Brein van Beethoven
Hij is zo’n zeldzame muzikant die niet in maten, tellen en metra denkt, zoals het overgrote deel van de musici, maar in muzikale bewegingen, zinnen, frasen en retorische debatten, niet zo vreemd voor iemand die van 2013 tot 2023 artistiek leider en concertmeester van de Nederlandse Bachvereniging was. Hij heeft niet gewoon tien ideeën per werk, zoals veel musici vaak hebben, maar hij heeft er tien per maat, en dat is best veel, hoewel dat in bijvoorbeeld de werken van Bach helemaal niet overdreven is. Hij past echter dezelfde denkwijze toe op Robert en Clara Schumann en op Beethoven – best logisch natuurlijk: als je eenmaal zo’n retorisch en dialectisch brein hebt blijft dat altijd aanstaan. Zijn aanpak werkt ook heel verfrissend en wie zag er ooit een ‘Stehgeiger’ een Beethoven-symfonie dirigeren? Nou ik niet, voordat ik Sato aan het werk zag: hij springt, enthousiasmeert, speelt vaak mee met de eerste violen (en soms de tweede), daarbij bewust niet altijd dezelfde streek hanterend. Hij is een volbloed musicus die zo diep in het brein van Beethoven is gekropen dat hij er uiteindelijk misschien ook lichtelijk verdwaalde.

Razende Beethoven
Want zoveel rubati, accellerandi en rallentandi* die nergens in de partituur staan, werken niet alleen verfrissend, maar soms ook verwarrend en soms desoriënterend, en dat zal Beethovens bedoeling zeker niet zijn geweest. Bovendien geeft Sato ze allemaal niet tot nauwelijks aan, en moet zijn lezing dus helemaal hebben laten inschrijven in de bladmuziek tijdens de repetities, en dat leidt er natuurlijk onvermijdelijk toe dat niet iedereen zich even goed herinnert wat ook weer precies de bedoeling was, met de nodige kleine rommeligheden tot gevolg. Rommeligheden waar ik normaal niet zo over struikel, als de muzikale drive maar goed is, en dat was die: er werd door het orkest alles aan gedaan om Sato’s wensen zo goed mogelijk over het voetlicht te brengen, maar het waren er dus zoveel dat ze elkaar weliswaar soms versterkten, maar ook deels uitdoofden. Toch was het een fascinerend hoorspel, en ik kreeg soms even de indruk dat ik naar een razende Beethoven zelf luisterde, die zijn Vierde voorspeelde op de piano. Natuurlijk, al die Chopin- en Brahms-rubati deden wat vervreemdend aan, maar je kunt, net als Sato kennelijk, ook beweren dat die menselijke emoties van alle tijden zijn en ze dus, ook al staan ze niet expliciet genoteerd, ook gewoon bij Beethoven horen.

Opwindende aanpak
Hoe dan ook, de Sato’s lezing overtuigde mij niet helemaal, maar was zo interessant dat ik een kostelijke avond had. Er was duidelijk meer gerepeteerd op interpretatie (geen wonder) dan op de afwerking want zeker niet alle snelle loopjes lukten overal, maar dat is voor kniesoren: Sato is een boeiende kunstenaar die alles anders aanpakt, al lukt dat waarschijnlijk beter met een vast ensemble dan als gastdirigent met (meestal) zeer beperkte repetitietijd. Hij zet punten, komma’s, dubbele punten, puntkomma’s, uitroeptekens en vraagtekens waar andere dirigenten gewoon de maat slaan en kijken wat er gebeurt – een opwindende aanpak, die echter nog veel verder moet uitkristalliseren om echt te overtuigen. Zo klonk de klarinetsolo in het tweede deel beeldschoon, maar zonder dat de dirigent ook maar iets aangeeft of zelfs maar van duiding voorziet blijft de context te vrijblijvend: een dirigent moet ook een voorganger zijn, die richting en interpretatie geeft. Het derde deel werd heerlijk vlot geopend, maar in maat 5 ging direct de handrem er vol op: een interessante, maar zeer kwestieuze interpretatie die Beethoven zélf waarschijnlijk niet vrolijker zou hebben gemaakt, zeker omdat het effect eerder rommelig dan overdacht was. Saai werd het echter geen moment, en dat is ook veel waard.

Cultureel leed
Sato voegt daarnaast zoveel energie toe dat het publiek, dat tegenwoordig al standaard tussen de delen klapt, nu ook al op het halfslot vlak voor het einde in applaus uitbarstte, toch een muzikaal uiterst onlogisch moment daarvoor – de afschaffing van het muziekonderwijs op de meeste scholen zorgt voor veel cultureel leed. Toch was al die energie nèt niet genoeg om de piepkleine strijkersbezetting van deze symfonie, met maar 24 strijkers, goed te maken. Toegegeven, er zijn berichten dat Beethoven de Vierde ook in deze bezetting dirigeerde (het is tenslotte een van zijn meest ‘slanke’ symfonieën), maar doorgaans had hij echt veel meer strijkers tot zijn beschikking, tot zeker 35 of 40. Het beroemde orkest van Mannheim had in 1782 al 33 strijkers, en in 1806, na de verhuizing naar München, al 45, daarna overigens snel uitgroeiend. Die bezetting was in ieder geval te klein voor de zelden gehoorde Symfonie in g ‘Zwickau’ van Robert Schumann, waarmee het prachtig samengestelde programma werd geopend, gedirigeerd met dezelfde passie en energie, waardoor dit jeugdwerkje van Schumann goed uit verf kwam.

Weinig verrassingen
Na de pauze werd Clara Schumanns Pianoconcert in a vertolkt door de Russische pianist Alexander Melnikov, die het nogal onsamenhangende werk uitstekend in goede banen leidde op een instrument dat het midden hield tussen een fortepiano en een vroege vleugel (het stond helaas niet in het programmaboekje). Aan Roberts echtgenote is dan misschien geen geniaal componiste verloren gegaan, maar voor de vijftienjarige die ze tijdens het componeren ervan was, is dit pianoconcert zeker de moeite van het beluisteren waard. Ze stopte na zijn dood abrupt met componeren, hoewel ze hem nog zeer lang overleefde – na Roberts jarenlange zware psychische problemen en zelfmoordpogingen trof het verlies Clara diep. Bovendien waren veel van haar composities ontstaan als cadeaus voor hem of in dialoog met zijn werk – zonder die motivatie en inspiratiebron verdween een belangrijke drijfveer. Het tweede deel bestaat uit een duet voor cello en piano, mooi maar merkwaardig in een pianoconcert – echter prachtig gespeeld door cellist Sietse-Jan Weijenberg. Ook zijn solo met de klarinet, ook zo’n uiterst zeldzame combinatie, ging uitstekend, maar Clara Schumanns werk zelf heeft weinig structuur en vooral: weinig verrassingen – het klinkt zoet en lief, maar te saai voor een groot pianoconcert. Het orkest begeleidde wonderschoon en Sato hield zich ditmaal keurig aan de maat van de prima spelende Melnikov.

In Robert Schumanns Langsam uit het Vioolconcert in d wreekte zich de uitputtingsslag die Sato achter de rug had: hij speelde zelf de solo, maar zijn toon klonk bleek, de intonatie en de frasering lieten het afweten en de voordracht was wankel. Beter ging de prachtige Introductie en allegro in d, op. 134 van Robert Schumann voor piano en orkest: een poëtisch stuk met veel diepgang, en ook hier dirigeerde Sato de partituur veel strakker dan voor de pauze, eigenlijk best lekker na al dat gedobber. Zo ontstond er toch eenheid in dit grillige werkje, weer uitstekend vertolkt door Alexander Melnikov, dat naast poëtisch ook heel dramatiek klonk, misschien juist wel doordat Sato de teugels strakker hield – wie zal het zeggen?
* Rubati: ‘vrij’ tempo, accellerando: versnelling, rallentando: vertraging
Peter Schlamilch
Foto’s: Melle Meivogel e.a.

Info: https://orkest.nl/nederlands-kamerorkest/