Hoge kwaliteit in Sluw Vosje bij DNOA

Dutch National Opera Academy. Leoš Janáček – Příhody lišky Bystroušky (Het sluwe vosje, arr. Jonathan Dove). Residentie Orkest o.l.v. Chloe Rooke. Met Mathilde Guedj (Vosje), Maura Wesseling (Goudstreep/een kip), Pavel Zelenev (Boswachter), Jaap van der Wel (Priester), Milan de Korte (Schoolmeester), Román Bordón (Stroper/Hond) e.a. Regie: Daniel van Klaveren. Gehoord: 24 juni 2026, Conservatoriumzaal, Amare, Den Haag
Door Peter Schlamilch
Die zag ik even niet aankomen, in een operawereld die bijna volledig overwoekerd is door ‘woke’ idealen en politieke meningen, want juist op de conservatoria kan soms het gratuite activisme, dat in de rest van de maatschappij gelukkig op z’n retour is, nog lang doorwoekeren. Gelukkig geen spoor daarvan in de voorstelling van Leoš Janáčeks Het Sluwe Vosje, die te zien was in de conservatoriumzaal in Amare, de betonnen kunstenkolos in Den Haag.

Studentenproject
Het was een productie van de Dutch National Opera Academy (alles is helaas enkel in het Engels; jammer, want het is een nationaal instituut om trots op te zijn), waarin de conservatoria van Amsterdam en Den Haag samenwerken om een hoogwaardige, internationale operaopleiding te realiseren. En hoogwaardig was ze, deze voorstelling, begeleid door 17 musici van het Residentieorkest, want in plaats van Janáčeks enorme originele orkestbegeleiding was, begrijpelijkerwijs, gekozen voor de puike bewerking van de Britse componist Jonathan Dove, die het mogelijk maakt dat ook kleinere theaters en gezelschappen het werk kunnen opvoeren, of, zoals in dit geval, in een studentenproject. Die kleinere bezetting maakte het, hoewel je misschien anders zou verwachten, muzikaal niet makkelijker voor dirigente Chloe Rooke, die nu moest proberen om Janáčeks gecompliceerde klankwereld, gedacht voor enorm orkest, te herscheppen met een klein ensemble, hoe professioneel ook. Toch lukte dat behoorlijk goed, hoewel dit uitstekende arrangement natuurlijk ver van het origineel af staat, ondanks de toevoeging van de karakteristieke en prima bespeelde accordeon.



Verteerd door spijt
Rooke dirigeert helder en beheerst, ietwat afstandelijk en weinig expressief, hoewel dat misschien wel de beste aanpak is bij Janáčeks mooie maar soms wat abstracte muziek, die, in de kamermuzikale versie, na een uurtje ook wel wat monotoon begint aan te doen. Jammer is wel dat ze vrijwel de hele tijd met beide armen parallel de maat slaat waardoor veel expressief potentieel verloren gaat – maar daar kan ze nog in groeien. Wie ook nog kan groeien is de Franse sopraan Mathilde Guedj, die het Vosje ontzettend leuk, pittig en mooi zong, maar met haar prachtige stem nog wat meer mocht uitzingen en het publiek mocht ‘inpakken’. Haar tegenstrever, de boswachter, die net als alle mannen in het verhaal worden verteerd door spijt van niet uitgevoerde plannen of vervlogen dromen, werd gezongen door de Russische bariton Pavel Zelenev, een ster in het Tsjoewasjisch Staatsopera- en Ballettheater – 500 km ten westen van Moskou. Hij deed het fantastisch, met heldere en krachtige stem zijn obsessie voor het Vosje breed etalerend en zijn slotoverpeinzingen, nadat hij haar verloren heeft, prachtig bitterzoet voor zich uit mijmerde – over de eeuwige cyclus van geboorte en dood, en de acceptatie daarvan, met al zijn vreugden en teleurstellingen.

Indringend en hitsig
Nog sterker zong de Spaanse bariton Román Bordón, die zowel de stroper als de hond vertolkte, wat hij allebei heel overtuigend deed: eerst kwispelend met zijn staart heel geestig in de hand, later brallend en onverschillig het Vosje achteloos afknallend, omdat het hem inderdaad nogal overmoedig aanviel (je kunt je afvragen hoe sluw dit Vosje eigenlijk is, maar ja: als je eenmaal een tegendraads karakter hebt kom je daar lastig vanaf, leert de ervaring). Bordón heeft een prachtige en edele bariton die zomaar het grote operatoneel zou kunnen halen, ook omdat hij mooi en expressief speelt. Dat laatste deed ook Maura Wesseling, die niet alleen een dolkomisch en onnozel kippetje, maar ook heel indringend en hitsig de manlijke vos Goudstreep vertolkte en daarbij welluidend, sonoor en overtuigend zong en sterk acteerde. Ook Jaap van der Wel en Milan de Korte zetten op zeer overtuigende wijze de rollen van respectievelijk Priester en Schoolmeester neer, en de haan, gezongen door Cathal McCabe, was een genot om te horen en te zien.

Antropomorfologische karaktereigenschappen
Het decor en de kostuums van Maartje Prins waren simpel, effectief, suggestief en oogstrelend, net als de romantische belichting van Tim van ‘t Hof. De regie van Daniel van Klaveren liet alle zangers respectvol en volledig tot hun recht komen, en aan de personenregie was niet alleen veel aandacht besteed, maar alle zangers verwerkten die ook voortreffelijk. Ook het programmaboekje was professioneel en had uitstekende toelichtingen, hoewel ze elkaar licht tegenspraken waar het de antropomorfologische karaktereigenschappen van de vele dieren betrof – begrijpelijk, want de dieren zijn dàn weer super faunisch, maar even later weer al te menselijk. Kortom, een uitstekende voorstelling die uit z’n voegen barstte van het talent, maar ook bij vlagen intiem en ontroerend was – wàt een geruststelling dat er zoveel begaafde jonge zangers zijn die staan te popelen (én het verdienen) de grotere podia te betreden. De Nieuwe Opera-academie bewijst met deze voorstelling zijn sporen in het Nederlandse operalandschap meer dan te hebben verdiend.
Peter Schlamilch

Info: opera-academy.nl