Serge Prokofiev – Sonate opus 119 voor cello & piano
Serge Prokofievs Sonate voor Cello en Piano is èèn van de meest gespeelde composities uit zijn laatste levensfase. De felle tinten uit eerder jaren zijn dof geworden, de clownesk schertsende toon is verkrampt geraakt en soms steekt er vanuit duistere octaven een onbestemde storm op. Maar de lyrische impuls is er, hoewel vermoeid, nog steeds – als laatste sprankje hoop.
De ontstaansgeschiedenis van het werk is evenzo getroebleerd. Nadat Prokofiev in juli 1949 was getroffen door een beroerte waarvan hij zich onvoldoende herstelde, bemoeiden twee cellisten – Levon Atovmyan (als editeur) en Mstislav Rostropovich – zich met de eerste uitgave van het werk door staatsuitgeverij Muzgiz in 1951. Aan Atovmyan had de componist in juni 1950 geschreven: ‘Helaas kan ik momenteel niet voor de correcties en het opschonen van de partituur zorgen. Daarom wil ik jou, als ervaren editeur, verzoeken om de Sonate in een passende staat te brengen en naar Muzgiz te sturen. Wat ik haastig achter de piano heb genoteerd terwijl ik met Rostropovich werkte, moet er netjes uitzien.’
Als uitgangspunt voor Henle’s Urtext neemt editeur Annette Oppermann dan ook de uitgave door Muzgiz. De autograaf, die de compositie nog niet in een definitieve fase weergeeft, is voor onduidelijkheden of als aanvulling geconsulteerd. In het beknopt tekstkritisch commentaar licht ze dit toe. De geheel volgens Henle’s onberispelijke standaard vormgegeven en gedrukte uitgave wordt geleverd met twee solopartijen: een ‘schone’ partij en een partij betekend door de Duitse cellist Johannes Moser. Voor vingerzettingen in de pianopartij zorgde Andrei Korobeinikov. Net als bij eerdere Urtext uitgaven van Prokofievs muziek voorziet biograaf Simon Morrison in een introductie.
Elger Niels
G. Henle Verlag Urtext HN 1625
ISMN 979-0-2018-1625-8