Warmbloedige Walküre bij Budapest Festival Orchestra

Budapest Festival Orchestra Foundation o.l.v. Iván Fischer. Met Anja Kampe, sopraan, Hanno Müller-Brachmann, bas-bariton. Robert Schumann – Symfonie nr. 3, ‘Rheinische’, Richard Wagner – Die Walküre, derde akte, derde scène. Gehoord: 20 mei 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam
Door Peter Schlamilch
Apart hoor, een symfonieorkest te horen stemmen op achtereenvolgens de A, de Bes, dan de G en ten slotte weer op A – het is iets wat in de harmonie- en fanfarewereld misschien gebruikelijk is (hoewel ik de G er nooit hoorde), maar in de symfonische wereld niet erg. Het resultaat was echter een zuiver klinkend geheel en daar gaat het om.

Hoogromantische inhoud
Grote verrassing voor mij was de energiek en breed dirigerende Iván Fischer, die ik eerder nog wel eens als wat afstandelijk en onderkoeld meemaakte. Daar was in dit concert geen sprake van, integendeel: hij leidde de hele avond gedreven en energiek, steeds mooi fraserend en organisch, met altijd veel oog voor details en dicht bij zijn mensen. Hij begon Schumanns Derde symfonie zelfs zó voortvarend, dat het openingsaccoord niet helemaal gelijk was, maar slechts een enkeling viel dat op, want er was daarna volop te genieten van de rijke en volle orkestklank en de heldere structuren die Fischer aanbracht. Vurig en warmbloedig, en zo zou de hele avond verlopen. Noemen we dat ‘typisch Hongaars’? Ik ben veel in Hongarije geweest en iets van de volksaard te herkennen, maar er zijn natuurlijk veel meer gepassioneerde orkesten in de wereld, dus misschien is het onzin. Maar toch… inzet en inspiratie waren van zowel dirigent als musici heerlijk doorleefd en heftig – alleen de zachte en transparante passages wilden dat maar niet worden terwijl die er, zeker bij Schumann, natuurlijk volop waren: ondanks de hoogromantische inhoud zijn er vele classicistische, Beethoven-achtige momenten in de symfonie.

Groots en overtuigend
Zachter dan piano kwam het orkest dus vrijwel nooit, ook niet in het zachtmoedige tweede deel, waar dat toch rijkelijk voorgeschreven wordt. Maar Fischers prioriteit was: muziek maken, stromend en zangerig, en dat gebeurde gelukkig volop. Ook het derde deel begon eigenlijk veel te ruig, maar mensenlief… het was wel bloedmuzikaal, bijvoorbeeld zoals die vier strijkersnoten, die steeds in één streek gespeeld werden, precies zoals Schumann het had genoteerd. Zinsbouw en frasering waren prachtig. In het indringend gespeelde, langzame vierde deel had ik de dissonanten in de ‘Bachkoralen’ graag wat schrijnender gehoord en in het laatste deel (deze symfonie telt, net als de Zesde van Schumanns grote voorbeeld Beethoven, vijf delen) misschien wat meer ‘Pastorale’ lichtvoetigheid, met wat meer opbouw naar het slot. Maar het geheel was groots en overtuigend, en werd misschien alleen nog overtroffen in het orkestspel in Wagners Die Walküre na de pauze. Uitgebreid met extra strijkers en blazers was de orkestklank nog overweldigender dan daarvoor, en nog warmbloediger.

Gemankeerde oppergod
Fischer voelt Wagner feilloos aan en begeleidde beide solisten gedreven en met een diepe klank. De laatste 40 minuten van de Walküre zijn dan ook totaal hartverscheurend, want wie schiet er niet vol bij het noodgedwongen afscheidsleed van de vader, Wotan, de gemankeerde oppergod, en Brünnhilde, zijn meest geliefde dochter? Ik wel, in ieder geval, want Wagners muziek is zo aangrijpend dat ze me altijd weer beroert, zeker als het Entsagungs-Motiv(Afscheidsmotief) nog één laatste keer klinkt, natuurlijk in het meest klagelijke orkestinstrument: de althobo (prachtige solo, trouwens!). Als op die melodie Wotans droevige afscheidswoorden klinken houdt de fenomenaal gespeelde tranenstroom in het orkest niet meer op: ‘Er fasst ihr Haupt in beide Hände, Denn so kehrt der Gott sich dir ab, so küsst er die Gottheit von dir!’ (Hij grijpt haar hoofd met beide handen vast, Want zo wendt de god zich van u af, zo kust hij de godheid van u weg!’)

Elke vader in de zaal denkt dan met tranen in de ogen aan het naderende of wellicht al voorbije afscheid van zijn dochters, en vergeten is dat beide solisten eigenlijk niet helemaal voldoen voor hun rollen: sopraan Anja Kampe (Brünnhilde) omdat haar stem eigenlijk net te klein is voor deze grootse en veeleisende rol, en Hanno Müller-Brachmann (Wotan) omdat hij veel te veel aan zijn bladmuziek is gebonden om een overtuigende oppergod te vertolken.

Ze zongen beiden heus mooi, maar acteerden te weinig om veel emoties over te brengen. Gelukkig waren daar Iván Fischer en zijn Boedapestse orkest om de zaal plat te walsen met Wagners eeuwige klanken, en verlieten we, diep geëmotioneerd, de zaal.
Peter Schlamilch
Foto’s: Eduardus Lee e.a.

Meer info: concertgebouw.nl