Uniek zangrecitals op Internationaal Lied Festival Zeist met o.a. uitsluitend Fins repertoire (2 recensies)

Internationaal Lied Festival Zeist. Arttu Kataja (bariton) en Pauliina Tukiainen (piano). Werken van: Sibelius, Kuula, Kilpinen, Madetoja en Gothóni. Gehoord: Broedergemeente, Zeist, 20 mei 2026
Door Willem Boone
I
Eeuwig zullen de bossen zingen
Het aardige van het Internationaal Lied Festival Zeist is dat het naast bekend repertoire ook unieke kansen biedt. Een daarvan was een geheel aan Fins repertoire gewijd liedrecital. Het zal niet vaak voorkomen dat een zanger uit Finland een hele avond in zijn eigen taal kan zingen. Het thema was ‘eternally the woods will sing’, wat weer paste bij het thema ‘back to nature’ van deze editie. Organisatoren Henk Neven en Hans Eijsackers interviewden kort de artiesten en hun eerste vraag was wat de relatie tussen de Finnen en de natuur is. De pianiste antwoordde daarop dat er slechts 6 miljoen mensen in hun land wonen en dat er daarom veel ruimte voor de ‘verbazingwekkende natuur’ is.

Kataja voegde daaraan toe dat je de natuur in zijn land als vanzelfsprekend beschouwt, zolang je er woont. Als je zoals hij al lang in Berlijn woont, ga je de natuur met hele andere ogen bekijken. Zo zijn er bijvoorbeeld 300.000 meren. Over het algemeen geldt de natuur daar als een eeuwige bron van inspiratie. Neven vroeg hoe het kon dat Finland hoog scoort op de lijst van gelukkige inwoners, terwijl de muziek uit dat land vaak melancholisch overkomt. Tukainen zei daarover dat het de indruk van een ‘veilig land’ wekt en dat ‘melancholisch’ niet hetzelfde als ‘triest’ hoeft te zijn. Kataja vertelde dat Finnen ‘eenvoudig in de goede zin van het woord’ zijn: ze zijn blij met essentiële zaken als een huis in de bossen, wandelen met de hond in de natuur, enz.

Aanzwellende tremoli
De zanger maakte van het begin indruk met zijn rustige houding: hij stond geaard en liet de muziek grotendeels voor zich spreken. Daarbij viel hij ook op door zijn beschaafde, aangenaam klinkende timbre, terwijl de pianiste zorgde voor sfeervolle begeleidingen. Sibelius staat niet in de eerste plaats bekend om zijn liederen, maar deze hadden iets eigens, ‘noordelijks’ zo men wil. De thema’s ervan leken vaak op die van – bekendere – Duitse liederen en gingen (ook) vaak over ontmoetingen van geliefden. Qua stijl zijn ze atypisch: soms sfeervol, soms dramatisch en soms ongrijpbaar. Het was indrukwekkend dat hij vrijwel alle teksten uit zijn hoofd zong. Bij het Melodrama ‘Een eenzaam skispoor’ JS77b declameerde de zanger en sommige woorden klonken bijna hetzelfde als in het Nederlands. Tussendoor speelde Tukiainen een kort solowerk van Sibelius, Granen op. 75 nr. 5, dat een storm weergaf. Evenals bij de meeste daarvoor uitgevoerde liederen was dit stuk somber van karakter. Bij het laatst voor de pauze uitgevoerd lied, Onder de bomen aan de waterkant op. 13 nr. 1 kwamen er vaak aanzwellende tremoli op de piano terug, net als sprookjesachtige figuren. Het eind van dit lied was fel.

Soms bijna Russisch
Na de pauze stelde Hans Eijsackers op zijn beurt een paar vragen aan beide musici. Als eerste ging het over muzikale tradities in Finland. De pianiste legde uit dat er geen koortraditie bestaat en dat Finnen vooral praktisch van aard zijn: ze hebben het nodig om na te denken over zaken en om hun gedachten uit te drukken. De zanger vertelde desgevraagd dat het ‘een luxe’ is om ‘in zijn eigen taal te kunnen zingen: ‘het voelt heel natuurlijk en direct aan.’ Fins is geen gemakkelijke taal om in te zingen met steeds een lichte nadruk op de eerste lettergreep. Verder zijn er geen lidwoorden en vertalers hebben nogal eens moeite om met name korte woorden te vertalen.
Bij ´Ik staarde in de vlammen’ op. 2 nr. 2 van Toivo Kuula viel op dat Kataja een goede liederenzanger is die het verhaal zonder omwegen vertelt. In ‘Nacht’ van dezelfde componist imponeerde zijn donkere stem, die soms bijna Russisch klonk. Het was interessant om deze liederen eens te horen, maar de vraag is hoeveel zangers ze in zullen studeren. De meeste liederen na de pauze, zoals ook die van Leevi Madetoja, waren niet heel vrolijk van aard. Dat gold voor de pauze eveneens voor die van Sibelius. Het vuur laaide nogal eens op. De meest recente liederen, zoals die van Ralf Gothóni, klonken nog steeds welluidend en niet heel modern, zoals je mogelijk van na de Tweede Wereldoorlog geschreven muziek zou kunnen verwachten. Bij het laatste lied, ‘Kom, kom, mijn liefje’ beeldde de zanger voor het eerst de tekst uit, wat hij tot dan nog niet of nauwelijks gedaan had. Het was een interessante avond, al moet erbij gezegd worden dat de meeste van deze Finse liederen een wat sombere uitstraling hadden, daar waar bekende Duitse liedcomponisten als Schubert, Schumann of Brahms ook wel lichtvoetige composities schreven.
II
Simon Keenlyside legt ziel en zaligheid in zijn vertolkingen
Simon Keenlyside, (bariton) en Macon Martineau, (piano). Werken van Mahler, Strauss, Ravel, Fauré, Duparc en Poulenc. Gehoord : Broedergemeente, Zeist, 23 mei 2026
Door Willem Boone

Van scherp tot aangenaam
Onwillekeurig moest ik aan de onvermoeibare, in het publiek aanwezige ‘Koningin van het lied’ Elly Ameling denken. Zij zei ooit in een podcast dat je als zanger tijdens een recital drie keer met een gebaar de muziek mocht ondersteunen, ‘maar niet meer dan drie.’ Dan zou ze toch zeker een paar keer haar wenkbrauwen gefronst moeten hebben bij Simon Keenlyside die de teksten van de diverse liederen wel heel sterk ondersteunde met blikken en gebaren. Aan de andere kant won hij in 1990 het naar haar genoemde concours in Den Haag, dus kennelijk kon hij op interpretatief gebied haar goedkeuring wegdragen. Uit zijn mimiek en ook uit de manier waarop hij soms over het podium ‘ijsbeerde’ (met zijn handen in zijn zakken!) bleek dat hij geregeld in opera’s optreedt. In het tweede lied van dit programma, Mahlers ‘Verlorne Müh’ uit ‘Des Knaben Wunderhorn buitte hij sterk het, ‘boertige’ element van de muziek uit. Zijn uitspraak van het Duits was idiomatisch en qua timbre viel op dat dit een wat scherpe rand had, die vooral boven mezzoforte hoorbaar was. Voor de pauze stonden er maar weinig liederen op het programma die ingetogen waren. In een lied als ‘Phantasie aus Don Juan’ klonk zijn stem minder scherp en was deze aangenamer van timbre. In ´Derr Tambourg’sell’ zong Keenlyside soms zeer luid en de laatste frase ‘Gute Nacht! Gute Nacht’ eindigde met een nadrukkelijke ‘t’.
Bij de meeste liederen van Strauss waren er ook weinig introverte momenten, maar ´Wasserrose’ was zo’n moment en het fungeerde als ‘rustpunt.’ Het laatste lied voor de pauze, ‘Ständchen’ was het bekendst. Hierbij viel op dat charme niet het sterkste punt van deze zanger is. Hij vond in Malcolm Martineau steeds een bijzonder attente partner aan de vleugel.

Frans repertoire
Na de pauze klonk er uitsluitend Frans repertoire en het was indrukwekkend om te horen dat Keenlyside ook daarmee affiniteit had, met een grotendeels correcte dictie. Helaas hoorde ik in de ‘Histoires naturelles´ van Ravel toch weer vaak hetzelfde scherpe timbre als bij de Duitse liederen. Martineau begeleidde op subtiele wijze, maar het aandeel van de zanger had voor mij verfijnder gekund. In ‘le crillon’ speelde hij de tekst wel erg sterkt uit, dit lijkt in opera meer op zijn plaats dan in een liedrecital. Het lied ‘le martin-pêcheur’ was rustiger en fijnzinniger van benadering. ‘Phidylé’ leek ook zo’n rustmoment, maar aan het eind zong Keenlyside erg luid, al kan hartstocht hem niet ontzegd worden. Je kan ervan houden of niet, maar hij is wel een zanger die zijn ziel en zaligheid in zijn interpretaties legt. Bij de drie liederen van Poulenc miste ik een bepaald soort charme of schalksheid die deze muziek zo onweerstaanbaar kunnen maken. Ook het afsluitende ‘Le papillon et et le feur’ van Fauré had voor mij geraffineerder kunnen klinken. Het zal een kwestie van smaak zijn, want het publiek was na afloop laaiend enthousiast. Het kreeg na afloop drie toegiften, waaronder twee liederen van Mahler. Deze bevatten mooie momenten….zolang ze niet boven mezzoforte uitkwamen.
Willem Boone

Info: