Stravinsky’s Le Sacre du Printemps blijft ook 113 jaar later een onthutsende luisterervaring

Gürzenich-Orchester Köln o.l.v Andrés Orozco-Estrada, m.m.v Gautier Capuçon, cello. Werken van Bizet : Ouverture ‘Les Toréadors’ uit ‘Carmen, Saint-Sans: Celloconcert nr 1 in a opus 33, Adès: Ouverture uit ‘Scènes from ‘The Tempest’, opus 22a en Stravinsky : Le sacre du printemps. Gehoord: 8 juli 2026, Concertgebouw Amsterdam.
Oor Willem Boone
Bij de eerste compositie op dit programma, de ‘ouverture ‘Les Toréadors’ uit ‘Carmen’, vroeg ik me af of dit wel echt een ouverture was. Of was het afkomstig uit een van de Carmen suites voor orkest van Bizet? Het kwam nu over als een korte maar krachtige ‘teaser’ voor de opera ‘Carmen’, maar de muziek stemde vrolijk en werd met verve gespeeld. Wie kent deze muziek bedacht ik nog, maar aangezien er bij de Vriendenloterijconcerten ook wel luisteraars komen die niet zo vaak naar een concertzaal gaan, zal het misschien toch niet voor iedereen gegolden hebben.

Saint Saëns
Daarna was het ‘woord’ aan de Franse cellist Gautier Capuçon, die zich met zijn instrument direct met huid en haar stortte op het Eerste celloconcert van Saint-Saëns. Een dankbaar concert, waarin de componist eens te meer bewees dat hij treffend voor elk instrument kon schrijven. Het is alleen jammer dat het amper twintig minuten duurt, je zou willen dat het zo’n tien minuten langer was. En daarnaast zou je – als je dan toch muzikale wensen uitspreekt – willen dat eens iemand zich boog over het Tweede celloconcert van dezelfde componist, dat zo goed als nooit op concertprogramma’s staat. Hoe dan ook, Capuçon liet zijn instrument voluit zingen en de muziek stroomde bij hem. Hij is een gepassioneerd musicus die niet terugschrikt voor risico’s op zijn tijd. Hij werd begeleid door een oplettend orkest en dirigent. In het tweede deel, Allegretto con moto, leek het alsof er iemand zacht zong. Het vormde een idyllisch rustpunt, waarbij de cellist een diepe toon produceerde. Ook in het laatste deel, Tempo primo, waarin de componist het thema van het eerste deel herneemt, realiseerde de solist alle technische eisen met gemak. Opvallend waren zijn elegante streek en de lichte begeleiding door het orkest. Als toegift speelde Capuçon een deel uit het Gaia-project, waarbij zestien componisten voor de aarde muziek geschreven hebben. Het ging hier om een improvisatie voor cello solo van Bruce Wesner. Hij exploreerde daarin alle registers van het instrument, tot uiterst ijl in de hoogte. Daarbij liet hij de cellist ook nog eens heel zacht spelen.

Adès en Stravinsky
Na de pauze vroeg ik me kort af waarom het orkest een ouverture geprogrammeerd had, je zou denken dat het zijn handen vol had aan Stravinsky’s Le sacre du printemps. Maar het was een voorbeeld van slimme programmering, want de korte ouverture uit ‘Scenes from ‘The Tempest’ van Thomas Adès was in alle opzichten stormachtig te noemen. Het orkest speelde in grote bezetting muziek die zeer luid, dissonant, snerpend en scherp klonk en verbeeldde hoe een schip omsloeg en door donkere golven verzwolgen werd. Het was uitermate rauw van karakter en paste daardoor uitstekend bij de oerkrachten die in Stravinsky’s ballet ontketend worden. Een vondst was om het onverwachte pianissimo eind van Adès naadloos te laten overgaan in de fagotsolo waarmee Le sacre du printempsbijna argeloos, ook pianissimo begint. Je hoorde als het ware niet waar Adès ophield en Stravinsky begon. Dat ballet blijft een krachtmeting voor ieder orkest.

Orozco-Estrada
Orozco-Estrada leidde het orkest ritmisch strak en had aandacht voor de fascinerende, onderliggende, steeds aanwezige puls. Hij dirigeerde met vuur, maar opvallend was dat hij steeds parallel dirigeerde en niet met zijn linkerhand de klank modelleerde, zoals Kent Nagano dat een dag eerder zo fraai deed. Het orkest volgde zijn aanwijzingen echter nauwgezet en speelde af en toe zeer luid. Kort voor het einde van het eerste deel leek het orkest ontketend op een manier zoals je dat zelden meemaakt. De brute kracht van dit stuk kwam heel goed over, zodanig dat je je, zelfs 113 jaar na de tumultueuze première ervan in Parijs, nog steeds kan voorstellen hoe verbijsterd het publiek destijds geweest moet zijn. Doordat de oerkracht van de natuur zo goed vormgegeven werd, paste dit stuk met terugwerkende kracht uitstekend bij de ouverture van Adès. Het tweede deel van het ballet werd veel ingehoudener gespeeld, al voelde je de constante dreiging die eronder lag. Het was knap hoe het orkest steeds op het scherp van de snede speelde. Ook in dit deel waren er echter ook heftige momenten, waarbij bijvoorbeeld de paukenist zijn instrument er ongenadig van langs gaf. In de toelichting stond te lezen dat Stravinsky in dit ballet de oerkracht van de ongecultiveerde natuur combineerde met de geest van het moderne machinetijdperk. Inderdaad, kort voor het eind deed het orkest aan een machine denken die langzaam op stoom komt. Het had iets hypnotisch om daarnaar te luisteren. En ook ditmaal was een uitvoering van dit nog steeds modern klinkende meesterwerk een onthutsende ervaring, ondanks of misschien juist dankzij het soms luide orkestspel.

Het was sympathiek dat Orozco-Estrada na afloop alle groepen van het orkest liet delen in de ovatie, die alleszins verdiend was.
Willem Boone
Info: www.concertgebouw.nl