Wisselend beeld bij Parsifal in Dresden

Richard Wagner – Parsifal. Sächsische Staatskapelle Dresden o.l.v. Daniele Gatti. Met: Oleksandr Pushniak (Amfortas), Albert Dohmen (Titurel), Georg Zeppenfeld (Gurnemanz), Eric Cutler (Parsifal), Scott Hendricks (Klingsor), Michèle Losier (Kundry). Regie: Floris Visser. Gehoord: Tweede Paasdag, 6 april 2026, Semperoper, Dresden

Door Peter Schlamilch

 

Daniele Gatti, chef-dirigent van de beroemde Semperoper in Dresden, zegt het treffend in het programmaboek van Parsifal: ‘Stel je voor dat je na een drukke werkdag in het theater komt en het Vorspiel van Parsifal hoort – die muziek brengt je meteen op een andere planeet.’ En zo dirigeerde hij het magische werk ook, voor velen veel meer dan een opera, want eerder een Verlossingsdrama voor mens en wereld: alsof zijn leven ervan afhing.

 

 

Magische communie

16 jaar moest de Semperoper, toch een Wagner-mekka, wachten op een nieuwe enscenering van het toverwerk: in 2010 was de laatste voorstelling van de vorige versie, geregisseerd door de beroemde zanger Theo Adam (die er ook in optrad) en oorspronkelijk gedirigeerd door onze eigen Hans Vonk – ze speelde er maar liefst 22 seizoenen, na de première in 1988. Bij de eerste voorstelling van de huidige versie, enkele weken geleden, kwam de Nederlandse regisseur Floris Visser er ongenadig vanaf: hij werd uitgejouwd bij het slotapplaus, waar zangers, koor, orkest en dirigent wél alle bijval kregen. En ik kan me er iets bij voorstellen: Visser maakt van Parsifal zijn eigen vertelling, bezien door de ogen van een schoolkind en gespeeld door de toevallige bezoekers van een grote, monumentale kerk – in een schitterend toneelbeeld van Frank Philipp Schlößmann. Maar Visser maakte een kapitale denkfout: in plaats van het operatheater om te vormen tot een grote tempel waarin alle mensen, volkeren en religies (Wagner had zelfs het Boeddhisme gepland) in één grote, Heilig Mis vergeven en verlost zouden worden, sloot hij het publiek in feite buiten doordat we naar een verhaal in een verhaal keken – het ging niet meer om de magische communie van muziek, tekst, toeschouwers en musici, nee, we moesten ons in de gedachtenwereld van een 13-jarig knaapje verplaatsen dat een boek over Parsifal meesleept en hem constant begeleidt en probeert te sturen.

 

 

Groot mysterie

Hoewel het kind, Hannes Neuber, fenomenaal acteerde – hij was onvermoeibaar en zonder enige aarzeling meer dan vier uur lang op het toneel te zien – leidde het de aandacht af van de kern van het werk, waarin naastenliefde, vergeving, zelfopoffering en verlossing centraal staan. Hoewel de regie er op papier waarschijnlijk fantastisch uitzag, werkte het in de realiteit eerder vervreemdend en afsandelijk – in het klein geïllustreerd door een kniehoog hekje dat de toeschouwers van de plaats van handeling (helaas meestal op het middentoneel of zelfs nog verder) afscheidde, en in het groot door de volledig clichématige opkomst van allerhande demonstranten voor gelijke rechten, black lives matter en natuurlijk: het klimaat, naast nog onophoudelijke projecties van oorlogsleed en andere zielige zaken. Maar zoals ik altijd schrijf: het theater gaat helemaal niet over de dingen die we al weten, maar over de zaken die we slechts vermoeden en misschien moeten weten, en daar steeg deze regie niet bovenuit. Als ik me over het grote wereldnieuws wil informeren, koop ik wel een krant, daar heb ik Parsifals sublieme, mystieke teksten en klanken niet voor nodig. Hoewel het toneelbeeld er dus schitterend uitzag, was het er op elk moment zo druk dat er vaak geen touw meer aan was vast te knopen: het was een omgevallen boekenkast, ongetwijfeld met de beste bedoelingen, dat het grote mysterie van Wagners cultuurfilosofie, hoe wonderlijk soms ook, nergens recht deed.

 

 

Elke noot karakter

Wie wel recht deed, was Daniele Gatti met zijn Staatskapelle Dresden, die er zó heftig op los speelden dat de zangers, mede door de vaak slechte placering op het toneel, vaak onhoorbaar waren, en dat was jammer, want de stemmen waren vaak groot en mooi. Gatti leek zó verliefd op deze partituur te zijn (en terecht!) dat hij ons werkelijk alles wilde laten horen, en goed ook. Hoewel dus ook de orkestbegeleiding soms wat over the top was, zat ik met open mond volop te genieten van alle ontdekkingen die de dirigent nog gedaan had en die ik, na al die decennia, nog niet vaak gehoord had. Ik kon hem op de monitor de gehele voorstelling goed waarnemen, en zag een dirigent die volledig opging in de muziek, de belangrijke modulaties naar voren haalde, alle parels van de partituur opgroef en liet glanzen en vooral de schitterend spelende hoorns alle ruimte gaf. En ook al werd alles soms wat luid: geweldig was het wél, want wát een orkest is dit – het bruist, stroomt en kolkt de orkestbak uit, het koper brult en spuwt vuur, de houtsoli leggen in elke noot karakter en de strijkers zingen en becommentariëren in de schitterendste kleuren. Het leek alsof de oude Richard zelf op de bok stond, zeker in de geweldige Verwandlungsmusik.

 

 

Pregnante vocaliteit

Ster van de avond was ongetwijfeld de Duitse bas Georg Zeppenfeld, die een weergaloze Gurnemanz vertolkte: gedreven, volumineus (hij was wél altijd goed hoorbaar) en intelligent fraserend en ‘sprekend’ – ik had hem al veel vaker gehoord maar hij was nu op zijn allerbest. De Amfortas van de Oekraïense bas-bariton Oleksandr Pushniak was mooi, maar te klein en te weinig smartelijk om echt indruk te maken, en ook de regie die hij had meegekregen – een soort draagbaar die vaak nogal uit het zicht werd geparkeerd – werkte hem tegen. Titurel werd gezongen door de Duitse bas Albert Dohmen, een van de belangrijkste Wagner-zangers van zijn generatie. Hij verraste met een prachtige, dodelijk-vermoeide inzet van zijn eenzame monoloog – verrassend, omdat de meeste dirigenten hem bulderend laten inzetten, wat eigenlijk onlogisch is voor een ‘honderdjarige’: Gatti lijkt Wagner écht te doorgronden (veelzeggend was bijvoorbeeld dat hij elke akte zonder applaus liet beginnen). Eric Cutlers Parsifal was wat aarzelend en te weinig communicatief, en Michèle Losier kan vast mooi zingen, maar Kundry is niet echt haar rol: ze mist de pregnante vocaliteit en scènische uitstraling voor een getormenteerde dolende, balancerend tussen goed en kwaad. Scott Hendricks’ Klingsor was daarentegen scènisch heel sterk, maar miste ook de vocale scherpte om muzikaal te overtuigen, en ook zijn abominabele Duitse uitspraak (net als veel andere niet-Duitse zangers overigens) hielp niet mee.

 

 

Eeuwige regieprobleem

Klingsors zelfcastratie was een gênante regievondst, net als de omstandige uitbeelding van Parsifals jeugd in een idyllisch hutje in het bos – ik dacht even in Im weißen Rößl te zijn beland. Deze voorstelling leek sterk geïnspireerd op de magische Parsifal van de Deutsche Oper, die ik nog maar een paar dagen daarvoor had bezocht – ook daar veel pantomime op het toneel, maar veel ernstiger, logischer en smaakvoller gepresenteerd (in Dresden sterft Herzeleide en staat daarna vrolijk weer op om het toneel te verlaten). Ook hier weer projecties van uitstervende ijsberen en ander wereldleed, en met zoveel actie op het toneel dat de intimiteit, maar vooral de verlossingsscène tussen Kundry en de titelheld naar de achtergrond verdween: tja, dan mis je de kern van het drama. De bloemenmeisjes, een soort ‘sexy’ nonnen konden mij weinig bekoren – de solisten ervan waren slecht hoorbaar en ook Gatti’s razendsnelle tempi waren wat gehaast. Het eeuwige regieprobleem van de heilige speer, die in volle vlucht tot stilstand moet komen, werd door Floris Visser simpelweg opgelost door Parsifal het ding uit Klingsors hand te laten grissen – ja, zo kan ik het ook. In een voorstelling met zoveel theatertechniek (een opgetakelde Klingsor) had ik wat meer verwacht.

 

 

 

Rugzakken, brancards en rolstoelen

De derde akte was ook weer volgepropt met actie. Kundry was nu half non, half hoer (hoe baanbrekend!), overal groepjes ongewassen krakers en ander onbestemd volk en Parsifal die als de totale antiheld de speer kennelijk alweer kwijt was, want hij kwam niet meer dan een flink aardappelschilmes brengen, dat hij later via een parasolstandaard omtoverde tot speer. Tussen de rugzakken, brancards en rolstoelen wist hij zich weinig houding te geven (begrijpelijk), en begon van de weeromstuit matiger te zingen en te projecteren. Gurnemanz hield dapper vol, maar het leek niet meer te redden: bij zijn profetische woorden ‘Mittag. Die Stund’ ist da’ keken enkele figuranten op hun horloge – uiterst storend, net als de nonchalante handgroet waarmee Parsifal van iedereen afscheid neemt en de leraar van het jochie opeens de slotfiguur van de handeling wordt. Toch werd de voorstelling gered door Gatti, het orkest en het magistraal zingende koor, die de slotminuten zó mooi, zó etherisch en wonderschoon door de zaal lieten stromen (deels vanaf de bovenste balkons, precies zoals de componist het wilde), dat even de geest van Wagner voelbaar werd – een mysteriespel met oneindige maar deels ook onbegrijpelijke waarheden, ons toehoorders verbluft achterlatend.

 

 

Peter Schlamilch

© Semperoper Dresden / Jochen Quast

 

Meer info: deutscheoperberlin.de

You May Also Like

Pianiste Nino Gvetadze verzamelt in Naarden alleen goede musici om zich heen

Gouden duo Kian Soltani en Jae Hong Park besluiten tournee in Concertgebouw

Sterrencast met Netrebko redt Verdi’s Ballo in maschera in Berlijn

Minimal Music Festival opent met Moore en Vukosavljević