Gebroeders Jussen briljant bij Münchner Philharmoniker

Münchner Philharmoniker o.l.v. Tugan Sokhiev. Lucas en Arthur Jussen, piano. Felix Mendelssohn Ouverture ‘Die Hebriden’, François Poulenc Concert voor twee piano’s, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski Symfonie nr. 4. Gehoord: 26 november 2025, Concertgebouw, Grote Zaal, Amsterdam
Door Peter Schlamilch
De Münchner Philharmoniker vormen een zeer bijzonder orkest, opgericht in 1893, in de Tweede Wereldoorlog compleet ontspoord en daarna onder de Roemeense dirigent Sergiu Celibidache, die er van 1979–1996 chef was, weer opgebouwd tot een wereldberoemd toporkest. Celibidache accepteerde geen platencontracten tijdens zijn leven omdat hij alleen live-prestaties geldig vond, en zijn extreem lage tempi en obsessie voor klanknuances hebben het orkest een unieke, bijna meditatieve speelstijl gegeven die nog steeds doorklinkt.

Topinstrumenten
Van 2015 tot 2022 was Valery Gergiev er chef-dirigent, maar hij werd ontslagen omdat hij weigerde zich uit te spreken tegen de Russische invasie van Oekraïne. Lahav Shani (toen nog designierter chef) nam het meteen over en werd met spoed benoemd. Het orkest heeft nog steeds die befaamde ‘Celibidache-sound’: een warme, brede, zeer gedifferentieerde klank, een groot dynamisch bereik en vaak een voorkeur voor langzame tempi, in vooral Bruckner en Mahler. De strijkersgroep is legendarisch: diepe, donkere bassen en cello’s en zijdezachte violen, niet in de laatste plaats omdat veel orkestleden op miljoenen kostende Stradivari’s, Guarneri del Gesù’s, Guadagnini’s, Montagnana’s en andere topinstrumenten spelen.

Vernietigende stroom
Het orkest viel zeker niet tegen, afgelopen woensdag in het Concertgebouw, ofschoon ik ze anderhalf jaar geleden in hun thuisbasis, het Nationaltheater in München wellicht wat spannender hoorde, hoewel Tosca, die ik toen hoorde, bepaald geen vergelijk is, net als de toenmalige dirigent Andrea Battistoni. De dirigent die het orkest op deze tournee had meegenomen was dat ook niet, want de Russische Tugan Sokhiev was in het uitverkochte Concertgebouw bedachtzaam, afstandelijk en flegmatiek, allemaal eigenschappen die de Vierde Tsjaikovski nou niet direct kan gebruiken, want de symfonie gaat over de gruwelijke strijd van de gekwelde ziel tegen het noodlot – een lot dat hij nooit zal overwinnen en hem op de meest onverwachte en ongewenste momenten overspoelt en meesleept in zijn vernietigende stroom.

Allesverschroeiende climax
Dirigent Sokhiev geeft in verschillende uitspraken te kennen dat hij het werk wel degelijk doorgrondt. Zo zegt hij ergens: ‘De Vierde is voor mij de meest autobiografische symfonie van Tsjaikovski. Je hoort een man die vecht tegen wanhoop, die probeert te lachen terwijl hij huilt, die danst terwijl hij eigenlijk wil schreeuwen.’ Onder zijn directie was daar helaas weinig van te merken: het noodlotsmotief werd kalmpjes en met besliste, maar vriendelijke-lyrische gebaren rond ingezet, zelfs zo rond dat de hoorns zich verslikten in hun eerste, allesbepalende en zeer sterke noot, net zoals de eerste violen zich verslikten in hún eerste inzet van het hoofdthema – iets dat bij zo’n toporkest eigenlijk alleen maar aan de dirigent kan liggen, hoewel dit concert toch al ‘ingespeeld’ was in München. Sokhiev ontketent het orkest niet, maar is soms zelfs een blok aan het been, de musici steeds toch zachte nuances manend waar Tsjaikovski juist vaak keiharde en hartverscheurende noten schreef. Het eerste deel eindigde dan ook niet in de allesverschroeiende climax die grote Rus noteerde, maar bleef wat steken in goede bedoelingen. Het Amsterdamse publiek ging toch maar klappen, net als na alle delen, overigens, zelfs na het langzame deel – altijd weer heel apart.

Prachtig samenspel
Het orkest speelde inderdaad met die mooie, intens doorleefde klank die door merg en been gaat en die je letterlijk door je lichaam voelt dringen – beeldschone strijkers, prachtig koper en hout, maar vaak, als alles op exploderen stond en de musici gas wilden geven, was daar de dirigent om de muziek ‘af te ronden’ en in toom te houden: doodzonde. Alles leek bedacht en ingestudeerd, weinig ontstond spontaan. In het tweede deel liet Sokhiev de muziek gelukkig meer stromen en gaf het orkest duidelijk meer ruimte, maar altijd met een controle die bijvoorbeeld moeilijk te rijmen was met het semplice-karakter (simpel) van de opening. Er ontstond prachtig samenspel met vaak prachtige soli. Het derde deel was snel, virtuoos, spatgelijk en compleet vlekkeloos: wát een toporkest is dit toch.

Voorbereid en spontaan
Ook het lastige vierde deel was technisch fenomenaal en perfect, maar ook hier: waar was de ziel van Celibidache, laat staan die van Tsjaikovski? Als het noodlot alles weer eens in het honderd kwam sturen klonk het plechtig en verheven, in plaats van gekmakend deprimerend. Een voorbode was Mendelssohns Ouverture ‘Die Hebriden’, waar het programma mee was begonnen: erg lyrisch, bijna Schubert, en weinig climactisch, maar gelukkig altijd met die weergaloze compacte en massieve orkestklank, alsof de eeuwen muziekgeschiedenis meezongen. Poulencs Concert voor twee piano’s, gespeeld door Lucas en Arthur Jussen, beviel wél heel goed: door de volkomen vlekkeloze technische voordracht klonk het werk fris en fruitig alsof het een wereldpremière betrof: zoveel energie en oprechte speelvreugde – waar sommigen nog wel eens hun ‘commerciële’ karakter bekritiseren, hoorde ik twee rasmuzikanten die volledig voorbereid en spontaan musiceerden, en ook Poulencs eerbetoon aan Ravel aan het slot van het eerste deel uitstekend begrepen.
En ja, het had inderdaad iets van cd-kwaliteit, maar wat zou daarop tegen zijn?

Foutloos en trefzeker
Het tweede deel was beeldschoon in de piano’s, fluweel en dromerig, en natuurlijk in volledige symbiose, niet alleen de broers onderling, maar ook met het orkest, dat een heerlijke Franse klank produceerde, daartoe aangezet door de dirigent die zich in dit stuk kennelijk volledig thuis voelde en nu ontspannen en uitnodigend dirigeerde. Ook het snelle derde deel werd subliem begeleid door de Münchner Philharmoniker, zoveel klasse en perfectie – heerlijk. De lastige pianopartijen waren foutloos en trefzeker, heel af en toe misschien een tikkeltje te lyrisch voor Poulenc, want het moet geen Rachmaninov worden. Maar dat was een klein detail, want de gebroeders Jussen waren op de toppen van hun kunnen, speelden alles uit het hoofd en maakten van dit werk het hoogtepunt van de avond.
Peter Schlamilch

Info:
www.concertgebouw.nl
https://arthurandlucasjussen.com/nl