Zuidams Orewoet overtuigt maar deels

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andrés Orozco-Estrada. Met Katrien Baerts, sopraan. Bedřich Smetana – Ouverture ‘De verkochte bruid’, Rob Zuidam – Orewoet (Nederlandse première). Antonín Dvořák – Symfonie nr. 9, ‘Uit de Nieuwe Wereld’. Gehoord: 19 april 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*
Door Peter Schlamilch
Wat is het toch een goed stuk, Smetana’s Die verkaufte Braut – vaak, maar ten onrechte, gezien als een ‘bijna-operette’, maar ik krijg nóg huiveringen als ik alleen al denk aan de bloedstollende aria Endlich allein, waarin de verlaten en verraden Mařenka haar verdriet en vertwijfeling uitdrukt. De ouverture ervan is echter nog heel vrolijk en energiek, en geldt onder violisten als een ‘meesterproef bij audities’. Natuurlijk kwamen de leden van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) er met gemak doorheen, zoveel gemak zelfs, dat het ‘strijdelement’ dat er heel belangrijk in is, het nèt verloor van de virtuositeit. Lag dat aan dirigent Andrés Orozco-Estrada, die consequent de zonnige kant, die ook ruimschoots aanwezig is in dit stuk, opzocht? Hij stuwde het orkest weliswaar in volle vaart op, maar joeg het nergens over de kling, en kwam helaas ook niet nèt daar in de buurt, en dat is toch echt waar deze ouverture over gaat: razende hartstochten, gierende emoties en strijd, veel strijd – wie het een goed Tsjechisch orkest hoort spelen (dan is het vaak hun lijfstuk) weet niet wat hij meemaakt en vliegen de gebroken snaren of tenminste de paardenharen van de strijkstokken (altijd van hengsten, trouwens) door de spreekwoordelijke lucht.

Irritant applaus
Geen gebroken snaren bij het KCO dus, maar wel een heel knappe en degelijke voordracht, die aan alle kanten zonder ongelukken verliep maar geen wereldrecords verbrak. Hetzelfde gevoel bekroop me na de pauze tijdens Dvořáks Negende Symfonie, waarin Orozco-Estrada andermaal uit een zonnig vaatje tapte en de schaduwkanten van deze geweldige partituur helaas wat onderbelicht liet. En schaduwkanten genoeg in dit werk – zo was Dvořáks overtocht naar de ‘nieuwe wereld’ een complete medische nachtmerrie –, maar je moet ze wel willen en kunnen vinden. Bij Orozco-Estrada overheerst echter steevast het hoopvolle, het idealisme en het optimisme, wat natuurlijk in onze onzekere en soms bange tijden voorwaar geen geringe kwaliteit is, maar Dvořáks muziek niet altijd recht doet. De strijkersinleiding klonk schitterend, net als de houtblazers die erop volgden, maar dreigend? Nee, geen moment.

Ook hier het orkest weer in goede vorm, met prachtige blazerssolo’s en warme strijkers. Orozco-Estrada deed ook veel mooie dingen (hoewel de extreme vertraging naar het derde thema iets te veel van het goede was), zoals het laten herhalen van de expositie (de muziek is zo goed dat je haar graag dubbel hoort), en ook het tegenhouden van het irritante applaus dat in onze ongeletterde tijd elk deel schijnt te moeten afsluiten.

Zwarte randjes
Na het prima gespeelde eerste deel volgde een oase van pure poëzie: het tweede deel begon met spatgelijke blazers (dat kunnen niet alle dirigenten even goed aangeven) en een beeldschone althobosolo, en de dirigent was hier duidelijk in zijn element: hij besteedde veel liefdevolle aandacht aan allerlei details, zodat er een prachtige, kamermuzikale sfeer ontstond met fluisterstille strijkers en goddelijke fluit- en klarinetsolo’s – pure lyriek en perfectie. Orozco-Estrada liet zijn spelers schitterend fraseren en maakte het tweede deel zo spannend dat de muziek echt los kwam van het papier en ging leven alsof ze ter plekke ontstond. Het derde deel was vlot en viriel, met wederom veel mooie details (zoals in de prachtig articulerende klarinetten) en een perfecte, sterk retorische frasering met veel speelvreugde, waarna het laatste deel indrukwekkend werd voorgedragen, met (alweer!) een fenomenale klarinetsolo en glanzende, moeilijke hoge hoornnoten. De plotselinge versnelling vlak voor het einde kende ik nog niet en kwam ook niet erg natuurlijk over, maar ook hier veel speelvreugde en klankschoonheid, hoewel de explosies aan het einde nog explosiever hadden gekund: tenslotte is fff (uiterst sterk) met een fz (accent) erbij geen sinecure – maar waar bleven toch de zwarte randjes? Het leven bestaat niet alleen uit rozengeur, voor zover mij bekend.

Verlangen naar eenwording
Natuurlijk was dit concert vooral gecentreerd rond de Nederlandse première van Orewoet (in opdracht van het Concertgebouworkest), het jongste werk van Rob Zuidam (1964), de Goudse componist die naar eigen zeggen ‘met één been in de popmuziek staat’, wat in mijn beleving niet altijd een aanbeveling is. In Orewoet bleek van die popmuzikale achtergrond niet zo veel, maar het ging hier, volgens de als altijd voortreffelijke programmatoelichting van Jacqueline Oskamp, dan ook om ‘de poëzie van de Brabantse mystica Hadewijch, die in de dertiende eeuw leiding gaf aan groepjes vrouwen die zich volledig wijdden aan “de minne”: de mystieke liefde tussen God en mens. Hoewel de herkomst van het woord orewoet niet eenduidig is, betekent ‘woet’ zoveel als razernij, woede. Hadewijch gebruikt het begrip om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken.’

Nieuwe publieken
Helaas kreeg ik die toelichting, net als de meeste andere toehoorders waarschijnlijk, pas achteraf onder ogen, omdat het KCO al enige tijd geen programmaboekjes meer verstrekt, en het A5’je, waarop tenminste de essentialia van het programma stonden, er sinds enige tijd ook niet meer is. Er staat bij de ingangen nog slechts een bordje met een QR-code die verwijst naar het digitale programma, maar wie het al opvalt in de aanvangsdrukte heeft meestal niet de tijd om, tussen het jas ophangen, het begroeten van bekenden en koffie halen door, zich daar nog even in te verdiepen, en tijdens het concert kun je uiteraard je telefoon niet gebruiken. En dat is allemaal jammer, want nu kwam Zuidams stuk nogal willekeurig en ongestructureerd over, terwijl de onzichtbare toelichting kort maar krachtig schetste waar het werk, en zijn afzonderlijke delen, over ging. Nu viel dat in het water en moesten we in de eerste drie delen maar een beetje gissen – ik hoop sterk dat KCO terugkomt op die beslissing, want zeker nieuwe publieken, die we toch allemaal willen bereiken, zijn gebaat bij enige uitleg, juist ook tíjdens het concert.

Melodieën en structuren
In het vierde deel kwam de Vlaamse sopraan Katrien Baerts in actie, die haar hartstochtelijke teksten – gelukkig geprojecteerd – wat onmiddeleeuws, want met veel vibrato en hoge, opera-achtige uithalen, vertolkte (misschien een wens van de componist), een tekst die overigens op het eerste gehoor weinig relatie had met de begeleidende klanken, maar dat moet misschien wennen door nadere beluistering. Maar toch: ook in de eerdere drie delen kreeg ik nergens het Tristan-achtige gevoel van eindeloos, smachtend verlangen en begeren, integendeel: de woeste, gepassioneerde accoorden klonken weliswaar vakkundig geïnstrumenteerd, waardoor er nieuwe, spannende samenklanken en orkestkleuren ontstonden, maar ze duurden allemaal wel wat lang en klonken eigenlijk best onsamenhangend en willekeurig. Het menselijk oor, dat weten we na honderd jaar ‘moderne muziek’ nu wel zo’n beetje, gaat gewoon niet akkoord met muziek zonder tooncentrum (atonaliteit), zonder cadensen (bevestigingen van toonsoorten), zonder melodieën en structuren. Misschien zal Zuidam heel ingewikkelde compositietechnieken hebben toegepast (of niet; wie zal het zeggen?), maar om betekenisvol te worden moeten die ook met het ‘blote oor’ min of meer waarneembaar zijn. Er waren natuurlijk ook heel mooie momenten, zoals die op de tekst ‘En ik zag hoe Hij teniet ging en geheel vervaagde en wegsmolt’, maar over het algemeen was Orewoet niet de belofte die onze klassieke muziektraditie zou kunnen redden en waarnaar onze prachtige muziekcultuur zo naarstig naar op zoek is.
Peter Schlamilch
* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.

Info: www.concertgebouw.nl