Badisches Staatstheater Karlsruhe: Brahms meeslepend en indringend, Rigoletto vocaal superieur
Johannes Brahms – Pianoconcert nr. 1 d-mineur & nr. 2 in Bes. Gerhard Oppitz, piano. Badische Staatskapelle o.l.v. Georg Fritzsch. Gehoord: 11 juli 2026, Konzerthaus, Karlsruhe

Giuseppe Verdi – Rigoletto. Badische Staatskapelle o.l.v. Johannes Willig. Jenish Ysmanov (Hertog van Mantua), Kihun Yoon (Rigoletto), Anastasiya Taratorkina (Gilda), Liangliang Zhao (Sparafucile), Dorothea Spilger (Maddalena), Christina Niessen (Giovanna), Oğulcan Yılmaz (Monterone). Regie: Anna Drescher. Gehoord: 8 juli 2026, Badisches Staatstheater, Karlsruhe
Door Peter Schlamilch
Karlsruhe is een leuke stad om te bezoeken, hoewel helemaal niet oud: hij werd in 1715 gesticht door markgraaf Karl Wilhelm van Baden-Durlach, die het idee voor een licht paleis, omringd door lange lanen als zonnestralen, tijdens een ‘rustmoment’ (Karls Ruhe) zou hebben gekregen. Karlsruhe is daarom heel planmatig gebouwd en mist door de relatief jonge leeftijd een historisch centrum: het slot vormt het middelpunt van de stad en de lange straten eromheen vormen een waaiervormig effect waardoor de stad ook wel ‘Fächerstad’ (waaierstad) wordt genoemd.

Elke maat spanning
Na vroege hofvoorstellingen op het kasteel en een verwoestende brand in 1847, bevindt het huidige moderne theatercomplex zich sinds 1975 aan de Ettlinger Tor, waar opera, ballet en toneel samenkomen. De Badische Staatskapelle is een van de oudste hoforkesten ter wereld: opgericht in 1662 als hofkapel (het hof zat toen nog in Durlach), werkte het met grote dirigenten en componisten zoals Richard Wagner, Richard Strauss, Franz Liszt en Hector Berlioz. Het orkest heeft ook een historische band met Johannes Brahms: op 4 november 1876 vond hier de wereldpremière plaats van zijn langverwachte Eerste Symfonie, en Karlsruhe was cruciaal voor het slagen van het werk. Dat Brahms’ muziek de musici in het bloed zit werd meteen duidelijk tijdens het concert waarin de in Duitsland heel bekende pianist Gerhard Oppitz de beide pianoconcerten van de Hamburgse meester speelde: een titanenstrijd, maar mij werd verteld dat de Duitse meesterpianist, die nog bij de legendarische Wilhelm Kempff studeerde, ook wel eens alle pianoconcerten van Beethoven op één avond had gespeeld. Een klasse apart, dus, en dat bleek, want nadat hij de inleiding van het Eerste pianoconcert uiterst geconcentreerd en met gesloten ogen had gevolgd, begon hij aan een muzikaal verhaal dat zo goed, logisch en organisch was opgebouwd dat elke maat spanning had: een prachtige opbouw en dito frasering, alles uit het hoofd en krachtig in de toetsen grijpend. Dat hij daarbij ook nog als twee druppels water op Brahms zelf lijkt was alleen maar mooi meegenomen.

Zucht van genot
Oppitz’ vertelt zijn verhaal, of liever: dat van Brahms, indrukwekkend indringend, ernstig en heerlijk meeslepend, zo meeslepend dat de zachtere en lyrische passages in de stortvloed van muzikale passie soms ook begonnen te gloeien, soms iets te veel, zelfs – ik houd er wel van, maar iets meer dramatisch contrast had het geheel misschien nog evenwichtiger gemaakt. Door de acoustiek van het Konzerthaus raakten de blazers iets afgedekt door de strijkers (die soms wat metalig klonken), maar chef-dirigent Georg Fritzsch leidde zijn orkest soepel en niet overdreven dramatisch (misschien een goed contrast), met een prachtige, onafhankelijke, expressieve een veelzeggende linkerhand – na het eerste deel rolde er een hoorbare zucht van genot door het publiek. Het tweede deel begon iets te sterk maar werd al snel heel zacht en poëtisch (misschien een opzettelijk contrast?) en kende een prachtige cadens. Het derde deel was vlot en pittig, en de solist kwam met gemak over het krachtig spelende orkest heen, produceerde veel verschillende kleuren en gestiek, met een retorisch sterke cadens met veel zeggingskracht.

Triomf
Het Tweede pianoconcert klonk zo mogelijk nog robuuster, organischer en heftiger (ligt ook aan de noten, uiteraard): ik begrijp goed waarom de inmiddels 73-jarige Oppitz een beroemdheid is in Duitsland, met zo’n 100 cd-opnamen. De kennis van en de liefde voor Brahms spatten er vanaf, en zijn passie voor deze muziek was prachtig om te zien en te horen – alles met flinke vaart en altijd met oog voor de opbouw en grote lijnen, maar ook met aandacht voor kleine details, zoals de subtiele overgangen tussen pianist en orkest. Het tweede deel was niet minder dan gloedvol te noemen, en het orkest was nu volledig en organisch op dreef. Een prachtige cello-solo in het uiterst zachte en poëtische derde deel, en in het slotdeel weer volop speelvreugde, zoals de hele avond – wat een feest! Alles ademde Brahms en hoewel de dirigent soms wat afstandelijk lijkt is dat maar schijn: hij stuurde het orkest in perfecte tempi en gaf het tegelijkertijd ruimte en energie, en zo werd deze Brahms-avond een triomf voor solist en orkest – heel fijn.

Sinistere steegjes van Mantua
Verdi’s Rigoletto, die ik er enkele dagen daarvoor hoorde, kende aanvankelijk eenzelfde voortvarende energie, die vreemd genoeg na de pauze een beetje wegebde, ook doordat we steeds dezelfde, monotone decors zagen – aanvankelijk werkten ze sterk en onbestemd-duister, maar uiteindelijk bleken ze te eentonig en te onfraai om de handeling een zinvolle vorm te geven, en ze namen bovendien alle kleur uit de voorstelling weg. Natuurlijk: Rigoletto is een grijs-grauwe opera over een liefhebbende vader die, zonder het te beseffen, zijn eigen dochter vermoordt, maar iets van de sinistere steegjes van Mantua had ik toch graag gezien, of in ieder geval gevoeld. Gelukkig werd veel goedgemaakt door de superieure zang van de hoofdpersonen, met in de eerste plaats de Rigoletto van de Koreaanse bariton Kihun Yoon, die niet alleen mooi krachtig en vol zong, maar ook met veel kleuren en nuances, en daarnaast een uitstekende acteur is. Hij heeft een prachtige, gezonde stem, heerlijk om naar te luisteren en beschikt over een enorm legato, hoewel zijn Cortigiani nog wat vuriger had gemogen. Ook de Sparafucile van de Chinese bas Liangliang Zhao was zeer fraai, bijna te mooi en te edel voor de huurmoordenaar die hij moest vertolken, maar ook hier: een genot om te horen.

Rauwe Verdi-emoties
Dat laatste gold ook voor de Gilda van de Duits-Russische sopraan Anastasiya Taratorkina, die meteen al in haar openingsnoten een prachtig visitekaartje afgaf: als een soort naïeve Colombina in een kinderkamer vol poppen zong ze haar eerste aria ragfijn (met prachtige, subtiele fluit- en blazerssoli), heel expressief en zeer kleurrijk, met veel nuances en dynamiek. Haar Caro Nome was beeldschoon, boeiend en soms piepklein en kamermuzikaal gezongen (en begeleid!) – heel bijzonder en heel zuiver: adembenemend! Dat al haar teddyberen tot leven komen en haar ontvoeren leek op papier misschien spannender dan het in werkelijkheid uitpakte: daarvoor zijn die beesten gewoon te lief. Het orkest was overigens ook beregoed, met veel nuances en dynamiek, hoewel niet alles spatgelijk was en eerste kapelmeester Johannes Willig niet in staat Verdi’s vuur uit de partituur te toveren: zijn tempi waren vaak erg langzaam, zijn gestiek erg ondramatisch en vooral na de pauze werd de voorstelling te ‘genuanceerd’ en esthetisch: waar waren de grote gebaren die Verdi’s muziek zo kenmerken, waar was het grote drama, de rauwe Verdi-emoties?

Stervende dochter
Het wraakduet tussen Rigoletto en zijn dochter was vocaal uitmuntend, maar weer te traag gedirigeerd, en dat was jammer – het beeld, vlak ervoor, van Rigoletto die zijn dochter zoekt, die op de achtergrond wordt aangerand was sterk maar riep meer muzikale verwachtingen op. Het koor zong erg goed maar ook hier: vaak te ingehouden gedirigeerd. De Kirgizische tenor Jenish Ysmanov zong een prima Hertog van Mantua, maar had duidelijk de regieaanwijzing gekregen om blasé en verveeld in het leven te staan, terwijl de echte hertog waarschijnlijk viriel en levenslustig was. Ysmanov zong mooi en met een prima techniek en dito hoogte, maar ontbeerde teveel passie en levenslust om deze vreselijke macho overtuigend neer te zetten, laat staan ook zijn andere, meer gevoelige en verliefdere kant. Zijn slotaria klonk mooi maar vlak, en het slot, waarin Rigoletto in de stromende regen zijn stervende dochter in de bliksemflitsen (die er helaas niet waren) was totaal ondramatisch, zeer zacht gezongen en met weinig contact tussen vader en dochter. Het slotbeeld was onvergetelijk: de stervende Gilda die langzaam verdwijnt in een kuil vol aarde, modder of water, wie zal het zeggen? Huiveringwekkend, maar niet voldoende om deze Rigoletto scenisch te redden. Gelukkig hadden de fantastische zangers van het Badisches Staatstheater dat al gedaan: hun prestaties waren formidabel!
Peter Schlamilch

Meer info Rigoletto: staatstheater-karlsruhe.de
Meer info Brahms: staatstheater-karlsruhe.de