Een Engelse avond met een geweldige Britse altviolist

Residentie Orkest o.l.v. Richard Egarr m.m.v. Timothy Ridout, altviool. Mendelssohn: Ouverture Die Hebriden, Vaughan Williams: Suite voor altviool en orkest, Handel: Water Music en Music for the Royal Fireworks. Gehoord: Concertzaal Amare, 8 mei 2026
Door Wenneke Savenije
Schotse natuur
Helemaal Engels was de Engels avond van het Residentie Orkest zeker niet, want de Duits-Joodse componist Mendelssohn bracht in zijn Ouverture Die Hebriden een lofzang uit op de ruige Schotse natuur, die hij met volle teugen in zich opgezogen had tijdens zijn voetreis door Schotland in 1830. Vooral zijn bezoek aan de Fingals Cave op het eiland Staffa maakte diepe indruk op de componist, die ter plekke de eerste maten van zijn ouverture noteerde. In een brief aan zijn zus Fanny schreef Mendelssohn: ‘Om je te laten begrijpen hoe buitengewoon sterk de Hebriden mij hebben geraakt, kwam het volgende daar in mij op.’ Mendelssohn, die in Schotland ook prachtige tekeningen maakte, koos voor een schilderachtige en beeldende stijl waarin hij zijn impressies probeerde te vangen. Hij bleef aan het stuk schaven tot hij in 1832 een definitieve versie voltooide. De première van het stuk vond plaats op 14 mei 1832 in Londen o.l.v. Mendelssohn zelf.

Feestmuziek in Londen
Ook de in Londen razend populaire Georg Friedrich Händel (1685- 1759) kwam uit Duitsland. In 1717 schreef hij voor Koning George I zijn Water Music, bedoeld voor een groot feest op de rivier de Theems. De koning gleed ’s avonds per boot over de rivier terwijl een orkest op een aparte boot Händels muziek speelde, die Franse hofdansstijlen combineert met Duits contrapunt en Italiaanse melodische flair. Volgens tijdgenoten beviel de muziek de koning zo goed, dat hij enkele delen meerdere keren achter elkaar liet herhalen tijdens de riviercruise. The Daily Courant meldde dat er ongeveer 50 musici meespeelden en dat de muziek in zijn geheel drie keer werd herhaald.

Händel schreef zijn monumentale Music for the Royal Fireworks pas in 1749 naar aanleiding van een gigantisch vuurwerkspektakel in Londen ter ere van de pas getekende Vrede van Aken. Koning George II wilde nadrukkelijk militaire muziek met veel blazers en weinig weinig ‘zachte’ strijkers. De componist op zijn beurt wilde juist ook strijkers gebruiken, maar legde behendig de nadruk op blazers en slagwerk om de koning te behagen. Händels muziek bleek succesvoller dan het vuurwerk zelf. Tijdens de openbare repetitie ervan in Vauxhall Gardens kwamen er maar liefst 10.000 mensen luisteren, wat een enorme verkeerschaos veroorzaakte waarbij bruggen en wegen volledig vertopt raakten. Tijdens de uiteindelijke uitvoering in Green Parks mislukten delen van de vuurwerkshow en enkele decostrukken vlogen in brand. Maar de muziek sloeg in als een bom, niet in de laatste plaats dankzij de voor die tijd gigantische bezetting ervan: 24 hobo’s. 12 fagotten, 9 trompetten, 9 hoorns, pauken en strijkers (later toegevoegd voor concertuitvoeringen).

Timothy Ridout
Het enige echte Engelse werk op het programma was de de Suite for Viola and Small Orchestra, een relatief zelden uitgevoerd werk van Ralph Vaughan Williams, geschreven in 1934 voor altviool en klein orkest, dat bestaat uit 8 contrasterende delen. Het stuk beweegt zich vrijelijk tussen pastorale lyriek, volksdans-invloeden en melancholie, waarbij de altviool niet alleen wordt ingezet als een warmbloedig solo-instrument met virtuoze mogelijkheden (zoals in het razend lastige Moto Perpetuo), maar ook als een bijna menselijke ‘verhalenverteller’, die zich uitdrukt in een typisch Engelse taal vol humor en melancholie, waarin dansen, polka’s, ballades en carols ombeurten uit de partituur opduiken. De Suite werd gecomponeerd voor de grote Britse altviolist Lionel Tertis, een centrale figuur in de ontwikkeling van de altviool als solo-instrument in de 20e eeuw, aan wiens muzikale nalatenschap Timothy Ridout een van zijn eerste cd’s heeft opgedragen, niet in de laatste plaats om daarmee te laten zien hoe rijk de Britse altvioolgeschiedenis is. Ook de beroemde altviolist William Primrose kwam uit Engeland, maar bracht een groot deel van zijn leven in Amerika door, waar hij vaak kamermuziek speelde met virtuozen als de violist Jascha Heifetz en de cellist Gregor Piatigorsky. De pas 31-jarige Ridout zelf brak door nadat hij belangrijke concoursen had gewonnen, waaronder – als eerste Britse winnaar ooit! – de prestigieuze Lionel Tertis International Viola Competition in 2016. Hij geeft over de hele wereld soloconcerten en speelt regelmatig kamermuziek met musici als de violiste Janine Jansen, cellist Kian Soltani en pianist Benjamin Grosvenor.

Melting sounds
Wat mij betreft was het enige écht Engelse stuk van de avond meteen ook het hoogtepunt, niet in de laatste plaats door de melting sounds die Ridout aan zijn unieke instrument – een tamelijk forse Peregrino di Zanetto uit ca. 1565-1575, die jarenlang lag te verstoffen in een la bij vioolhandelaar Beare in Londen- weet te ontlokken, van chocoladebruin en fluweelrood tot honinggeel en crispy caramel. Het is goed te horen aan Ridouts spel dat hij als kind eigenlijk zanger wilde worden, want ook al speelt hij heel zuiver en helder, al zijn fraseringen zingen en zijn klank is van nature warm en rondborstig. Ridout maakt al een sympathieke indruk voordat hij begint te spelen, omdat hij ontspannen glimlachend het podium oploopt alsof hij er enorm veel zin in heeft. En dan is er bij de inzet van de Prelude uit Vaughan Williams Suite meteen al die warm en poëtisch zingende toon, die Ridout in alle bescheidenheid niet uit zijn alt tevoorschijn tovert om te imponeren of zichzelf te etaleren, maar die hij eerlijk en integer laat voortvloeien uit het karakter van de muziek. Op de intiem wiegende Carol volgde Bartokiaanse syncopen in de snelle Christmas Dance, vol pittige dialogen met oa. de blazers uit het orkest. Als een droom doemde daarna de Ballad op uit de verstilde nacht, waarbij Ridout bijna meer leek te luisteren dan actief te spelen, alsof de muziek hem toeviel. Adem, rust en stilte omringden dit deel, waarna de complete razernij uitbrak in het razendsnelle en virtuoze Moto Perpueto, dat de altist in pakkende ritmes en met fraaie dynamische contrasten geconcentreerd de zaal in slingerde. Prachtig van klank en kleur klonk vervolgens de Musette, een soort slaapliedje op klokjesachtige geluiden uit het orkest. Daarop leefde Ridout zich uit in de pastorale materie van de Polka Melancolique, waarna hij dynamisch eindigde met de folkloristisch en organisch voortrazende Galop. In al deze delen konden de solist en het Residentie Orkest o.l.v. Egarr elkaar uitstekend aanvoelen en stimuleren, zodat het typisch Engelse geheel Amare meer in vuur en vlam zette dan de andere werken op het programma.

Mendelssohns Die Hebriden klonk aan het begin van het programma een beetje houterig en onvrij, mogelijk ook door de korte en driftige gebaren van Egarr, die het aanstuurde op contrast en misschien iets te veel detaillering, al maakte de fraai opgebouwde climax weer veel goed. Na de pauze leidde Egarr de werken van Händel in zoals het een Britse dirigent uit de authentieke hoek betaamt: met veel kennis van zaken en humor lichtte hij diens werken toe, waarna de aangenaam voortkabbelende Water Music en de majestueuze Royal Fireworks-muziek uit het orkest spatten. Händel sprak in alle opzichten tot de verbeelding en Egarr kreeg er zoveel lol in, dat hij op de bok een kinderlijk vreugdesdansje maakte van plezier.
Wenneke Savenije

Info:
www.amare.nl
https://residentieorkest.nl