Eric Lu: begaafd pianist met niet altijd even fraaie fortes

Vriendenloterij Zomerconcerten. Eric Lu, piano. Werken van: Brahms: Variaties opus 18, Schubert: Impromptu’s opus 142 nrs 1,2 en 4, Chopi: Ballade nr 4, Polonaise opus 71, Sonate nr 3 in b opus 58. Gehoord: Concertgebouw Amsterdam, 20 augustus 2026

Door Willem Boone

 

Zwaar op de hand

Pianist Eric Lu begon zijn recital op buitengewoon ernstige wijze met de Variaties opus 18b naar het middendeel van het Eerste strijksextet van Brahms met hetzelfde opusnummer. Het leek goed bij de artiest te passen, die eveneens als een serieus artiest overkwam en die het alleen om de muziek te doen was. Of dit echter de gedroomde start van een concert was, vraag ik me af. De muziek is nogal donker en intens van karakter (althans de eerste variaties) en het had mij verstandiger geleken om de volgorde van het programma om te draaien en te beginnen met de Impromptu’s opus 142 van Schubert. Nu kwam het begin van de avond wat zwaar op de hand over, wat bij de genoemde muziek van Schubert minder het geval geweest zou zijn. Aan het begin vroeg ik me af of de vleugel wat scherp van klank was, dan wel of Lu’s toucher hard klonk zodra het boven forte uitkwam. Ik houd het op het laatste, want dat viel namelijk gedurende het hele concert op. Het leek er een beetje op alsof er twee pianisten speelde: zodra hij pianissimo, piano of mezzoforte speelde, was zijn toucher mooi en poëtisch. Dat viel bij de laatste variaties van Brahms, de Impromptu’svan Schubert en de diverse stukken van Chopin op. Tegelijk vergroofde zijn spel ook, zodra het forte of fortissimo klonk. Het zorgde ervoor dat zijn klank niet over de gehele linie homogeen van karakter was en dat de uitersten in klank niet altijd tot elkaar in de juiste verhouding stonden.

 

 

Snelle Schubert

Lu speelde drie van de vier Impromptu’s opus 142 (vreemd genoeg niet het derde, het beroemde thema met variaties uit ‘Rosamunde’). Bij het eerste was zijn inzet fors en viel me op dat zijn tempo snel voor een ‘allegro moderato’ was. Kennelijk gebeurt dit vaker, want zijn collega Imogen Cooper deed enkele maanden geleden hetzelfde. Zijn legato was mooi, maar ook in het gedeelte waarin beide handen met elkaar ‘in dialoog gaan’ (door echo-effecten) was zijn tempo aan de snelle kant. Het publiek had de vervelende gewoonte om na iedere afzonderlijke Impromptu te klappen (misschien zou het zinnig zijn om het publiek er in de toelichting op te wijzen dat je alleen aan het eind van een reeksof hele sonate klapt?), waar Lu gelukkig niet op reageerde. In nr 2 was nogmaals te merken hoe zijn toucher veranderde, naarmate de muziek in intensiteit toenam. In nr 4 trof hij goed het ‘scherzando’ karakter van de muziek, maar een iets langzamer tempo zou wel bijgedragen hebben aan de magie van de muziek.

 

 

 

Bekende en onbekende Chopin

Als laatste stuk speelde hij voor de pauze de Vierde ballade van Chopin. Ook hier was het begin mooi poëtisch en zelfs breekbaar, maar de overgang naar de climax aan het einde verliep niet helemaal organisch. Hoewel de laatste bijna onspeelbare bladzijden technisch indrukwekkend waren, was zijn forte niet echt fraai van klank en miste het eind de overrompelende werking die het op je achter kan laten als ‘alles klopt’.

Na de pauze stond allereerst de onbekende Polonaise opus 71 op het programma. Een jeugdwerk, dat ik nog nooit in de concertzaal gehoord heb. Het was aardig om het nu eens te horen, al miste er een bepaalde finesse, wederom in het toucher.

De derde sonate is natuurlijk een van Chopin’s bekendste en meest magistrale scheppingen. Het eerste deel was krachtig van klank en deed alle recht aan de tempoaanduiding ‘maestoso.’ Geslaagd was de manier waarop hij de Bellini-achtige cantilene, zo’n twee minuten na aanvang van het eerste deel, speelde. Daarnaast heeft Lu een goed oor voor de rijke polyfonie van deze muziek. Het 2e deel, scherzo molto vivace nam hij gelukkig niet te vlinderachtig en in het Largo realiseerde hij mooi de zwevende beweging. Hij speelde het in een redelijk snel tempo, wat misschien iets van de magie wegnam. Het laatste deel, Presto ma non tanto, was indrukwekkend door het heldere spel dat alle stemmen liet uitkomen, maar helaas bij vlagen ook luid. Het blijft een goede toetssteen om te kijken of een pianist in een consequent tempo en met een consequente dynamiek (dus zonder te luid te worden!) kan spelen.

 

Er volgden drie toegiften: allereerst ‘Träumerei’ van Schumann, heel mooi en ingehouden gespeeld.

Daarna de Wals opus 42 gespeeld in een helaas te haastig tempo en de Prelude opus 28 nr 15,

de ‘’Regendruppel’ prelude, waarbij wederom de fortes te luid uitvielen.

 

Willem Boone

 

 Info:

www.concertgebouw.nl

You May Also Like

Kings Return: a-cappella swing van Schubert tot Sade

Nationaltheater Mannheim: een Così om van te smullen

Daniel Lozakovich dringt door tot in de diepste vezels van Sibelius’ Vioolconcert

Staatstheater am Gärtnerplatz München: Elegantie en klasse in Verdi en Strauss is een feest