Staatstheater am Gärtnerplatz München: Elegantie en klasse in Verdi en Strauss is een feest

Giuseppe Verdi – La Traviata. Orchester des Staatstheaters am Gärtnerplatz o.l.v. Rubén Dubrovsky. Sophia Theodorides (Violetta), Anna Tetruashvili (Flora Bervoix), Anna Agathonos (Annina), Lucian Krasznec (Alfredo Germont), Matija Meić (Giorgio Germont) e.a. Regie: Isabel Ostermann.Gehoord: 16 juli 2026, Staatstheater am Gärtnerplatz, München

Johann Strauss – Waldmeister.Orchester des Staatstheaters am Gärtnerplatz o.l.v. Michael Brandstätter. Robert Meyer (Amtshauptmann), Regina Schörg (Malvine, zijn vrouw), Ilia Staple (Freda, hun dochter), Matteo Ivan Rašić (student), Sophia Keiler (zangeres), Daniel Prohaska (professor) e.a. Regie: Josef E. Köpplinger. Gehoord: 18 juli 2026, Staatstheater am Gärtnerplatz, München

Door Peter Schlamilch

 

Het theaterleven is in Duitsland van oudsher heel belangrijk, en vrijwel elke grote en kleine stad heeft er een: waar je in ons land volwaardige theaters met een lampje moet zoeken (en vaak zijn ze dan ook nog zo ‘multifunctioneel’ dat het vlees noch vis is), zijn onze oosterburen er mee opgegroeid. Zeker in Beieren, waar Ludwig de Tweede een ware kunstmecenas was (denk aan zijn ruime ondersteuning van Richard Wagner, waarmee hij de componist feitelijk van de ondergang redde), zijn er veel prachtige theaters, waaronder de vijf bekende Staatstheaters: de Bayerische Staatsoper, het Bayerisches Staatsschauspiel, het Staatstheater am Gärtnerplatz, alle in München, en het Staatstheater Augsburg en het Staatstheater Nürnberg (en tevens, sinds mei dit jaar, het Staatstheater Regensburg).

 

 

 

Uitbundig portamento

Het prachtige Staatstheater aan het romantische Gärtnerplatz vervult de rol van Volksoper, zoals grote steden als Wenen en Berlijn die ook kennen: er worden operettes gespeeld en kleinschaliger opera’s. Van beide mocht ik deze zomer genieten: van Verdi’s indringende Traviata en van Strauss’ zelden gespeelde maar dolkomische Waldmeister. Om met de eerste te beginnen: Sophia Theodorides zong een prachtige Violetta, fijnbesnaard en intelligent (de lettergrepen mi-ste-ri-o-so in de eerste akte allemaal portato, precies zoals Verdi het opschreef maar wat je niet altijd zo hoort) – een heerlijke, fijne stem om naar te luisteren, edel en mooi afgewerkt en met een prachtige uitstraling, zoals bijvoorbeeld in haar grote verliefdheid op Alfredo. Haar stem is misschien net te klein voor de grote, dramatische climaxen (ze zingt veel Koninginnen van de Nacht), maar in het intieme Gärtnerplatztheater paste het prima. Haar tegenspeler, de Roemeense tenor Lucian Krasznec (Alfredo) deed het ook goed en vooral enthousiast, maar was met zijn uitbundig portamento hier en daar minder stijlzuiver dan zijn geliefde, wat misschien komt door zijn gedeeltelijke operette-achtergrond.

 

 

Isolement en onbegrip

De regie is compleet traditioneel (soms zelfs net iets tè), wat ik altijd erg toejuich, want op die manier komt het oorspronkelijke verhaal het best tot zijn recht, hoewel de idyllische (opgezette of opgeblazen?) hertjes ons misschien meer naar de operettewereld van Tirol dan naar de lommerrijke omgeving van het Parijs van de 19e eeuw verplaatsten – het kon nèt. Kleding en belichting waren overigens prachtig. De Kroatische bariton Matija Meić zong een woedende Giorgio Germont, en die woede werd opvallend genoeg niet minder bij het zien van het verdriet van Violetta – duidelijk een wens van de regie: misschien moest hij daarmee zijn schuldgevoel compenseren? Hoe dan ook: Meić zong groots, imperatief en prachtig fraserend met een vol en edel stemgeluid – heel fijn. Hij tilt Violetta naar zijn niveau en hun duetten zijn beeldschoon, zeer aangrijpend-expressief en hebben pure klasse. Dat hij van de regisseur uiteindelijk, berustend, zijn hoofd op haar schoot te rusten moet leggen slaat natuurlijk nergens op, maar we vergeven het ze: zelfs het orkest raakt volledig geïnspireerd door de pure schoonheid waarmee beide zangers elkaar hun wederzijds verdriet, isolement en ook onbegrip tonen. Chapeau!

 

 

Intiem, zuiver en zacht

Het bekende Di Provenza wordt exemplarisch gezongen en ook Alfredo raakt nu geïnspireerd: hij zingt veel dramatischer en overtuigender dan in de eerste akte, hoewel hij nog meer kleuren zou mogen aanboren. Het zigeunerinnenkoor bestaat om onduidelijke redenen niet meer uit zigeunerinnen (zelfs de tekst is ervoor veranderd: nooit doen!) maar zingt er niet minder fraai om, net als de ‘matadoren’: het koor van het Gärtnerplatztheater blijkt meer dan uitstekend! De kleinere rollen van Annina (Anna Agathonos), Douphol (Jeremy Boulton) en Grenvil (Lukas Enoch Lemcke) zijn zeer sterk, en de bekende geldsmijterij heeft zoveel emotie dat het pakketje recht in Violetta’s gezicht terechtkomt. Het moet even pijn gedaan hebben, maar ze vertrekt geen spier en verwerkt het in haar spel – subliem! Ook in de laatste akte is Theodorides heel, heel mooi – haar Addio del passato is adembenemend intiem, zuiver en zacht – het doet ons vergeten dat de regie haar in haar doodsstrijd nog vraagt om Alfredo, die ook al ziek blijkt te zijn, te troosten. Het zal wel iets met sterke vrouwen en zwakke mannen te maken hebben, maar het interesseert ons niet meer: we hebben een Violetta gehoord om niet te vergeten.

 

 

Écht Strauss

Het Gärtnerplatztheater is niet alleen sterk in de tragische kant van het leven, maar ook de productie van Strauss’ Waldmeister, een van zijn laatste werken, stond als een huis. Waldmeister stamt uit 1895, vier jaar voor de dood van de briljante Wener, en had destijds een enorm succes. Hij werd door regisseur Josef E. Köpplinger, die ook de bewerking maakte, uitgekozen omdat het hem interesseerde dat een klein plantje, de Waldmeister dus, waarvan het bestaan in deze operette niet eens zeker is, ‘een chaos veroorzaakt waarin de burgerlijke maatschappij op die van de vrije geesten knalt’. Dat laatste weet de regisseur dan ook uitstekend te realiseren, want hoewel de handeling op papier nauwelijks te volgen is, is zijn regie helder, logisch en… uiteraard vol met grappen en grollen die ook écht grappig zijn: lachsalvo’s dreunden door de zaal, niet in de laatste plaats bij mij en mijn gezelschap. Hij laat ook een groot deel van de ouverture zonder regie klinken, wat altijd fijn is, omdat we ons dan heel even puur op de muziek kunnen richten, en die is prachtig: écht Strauss.

Jammer dat de lastige acoustiek het theater noopt om de zangers te versterken, wat in het begin de balans echt teveel richting de techniek trok waardoor de oorspronkelijke zang een beetje uit het gehoor verdween. Gelukkig werd dat al snel beter, en ontstond een meer natuurlijke verhouding tussen pure zang en versterking, zodat we merkten hoe verschrikkelijk mooi er bijwijlen gezongen werd.

 

 

Vissen in het water

De regie is erg leuk, de dialogen lopen als een trein, zijn goed verstaanbaar en het publiek geniet volop. De decors zijn mooi en grappig en de kleding schitterend: er zit een heel goede kostuumafdeling aan het Tuinmansplein. Strauss’ muziek zit vol met prachtige melodieën, hoewel ze natuurlijk niet zo geniaal is als Die Fledermaus en er echt nog wel wat minuutjes extra gecoupeerd hadden mogen worden. Alle zangers zijn prachtig van stem, acteren formidabel en voelen zich in dit genre als vissen in het water. Robert Meyer (Amtshauptmann), Regina Schörg (Malvine), Ilia Staple (Freda), Matteo Ivan Rašić (de student), Sophia Keiler (de zangeres), tja, ze doen het allemaal gewoon geweldig, met een extra vermelding voor Daniel Prohaska (de professor), die de show draagt met zijn stem en zijn présence.

 

 

Schepje er bovenop

De uitverkochte zaal geniet volop, zeker als we na de pauze getrakteerd worden op alweer nieuwe decors. Eerste kapelmeester Michael Brandstätter doet het prima, maar laat de vrolijke gekte niet doorwerken in de orkestbak (waar overigens uitstekend gespeeld wordt): zijn tempi mochten soms wat vlotter en ‘chaotischer’ zijn. Het slot is geweldig: de timing van dialogen en zang wordt nog strakker, de zangers doen overal nog een schepje bovenop – in hun waan naar het niet-bestaande bosplantje menen ze zich allemaal te moeten ontkleden – en Strauss’ muziek wordt elke minuut koddiger en bruisender: deze muziek mag best vaker worden gehoord in het theater, zeker met zo’n leuke regie erbij. Natuurlijk volgt er een toegift op het toneel: het feest is compleet.

Peter Schlamilch

 

Meer info Traviata: gaertnerplatztheater.de

Meer info Waldmeister: gaertnerplatztheater.de

You May Also Like

Eric Lu: begaafd pianist met niet altijd even fraaie fortes

Kings Return: a-cappella swing van Schubert tot Sade

Nationaltheater Mannheim: een Così om van te smullen

Daniel Lozakovich dringt door tot in de diepste vezels van Sibelius’ Vioolconcert