Hohe Messe en Werther bij Salzburger Festspiele – uniek wonder der muziek

Johann Sebastian Bach – Messe h-Moll BWV 232. Vox Luminis o.l.v. Lionel Meunier. Perrine Devillers, Sophia Faltas, Kristen Witmer (sopraan), Victoria Cassano, Tim Mead (alt), Raffaele Giordani, Jonathan Hanley (tenor), Sebastian Myrus, Felix Schwandtke (bas). Gehoord: 20 juli 2026, Kollegienkirche, Salzburg
Jules Massenet – Werther (concertant). Symfonieorkest van de Munt o.l.v. Alain Altinoglu. Benjamin Bernheim (Werther), Adèle Charvet (Charlotte), Sandra Hamaoui (Sophie), Andrey Zhilikhovsky (Albert) e.a. Gehoord: 29 juli 2026, Großes Festspielhaus, Salzburg
Door Peter Schlamilch
Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen: zelden twee zo verschillende werken in korte tijd gehoord, en zelden zo perfect en aangrijpend als tijdens de laatste editie van de Salzburger Festspiele: Bachs Hohe Messe was een wonder van samenzang, samenklank, transparantie en affect, en Massenets Werther was een achtbaan van emoties.
Kleiner dan miniem
Het affect, het in één gevoelsmodus zingen van een vocaal deel, was een van de belangrijkste retorische uitgangspunten van de barok: de luisteraar moest gevangen worden in één, vaak religieuze, gemoedstoestand, waardoor de Christelijke boodschap nog sterker en overtuigender aankwam. Lionel Meunier, de veelgeprezen muzikaal leider van zijn gezelschap zangers en instrumentalisten, Vox Luminis, weet dit als geen ander te bereiken. Ik schrijf bewust ‘muzikaal leider’, want van dirigeren in de klassieke zin des woords is bij hem geen enkele sprake: zijn bewegingen zijn kleiner dan miniem en soms geheel afwezig – soms laat hij een groot en complex koordeel met een lichte hand- of hoofdbeweging beginnen, of door een vrijwel onhoorbare inademing. Hij controleert op geen enkel moment of zijn zangers en spelers hem hebben begrepen, want hij wéét na de 22 jaar dat Vox Luminis nu bestaat: iedereen die hier vanavond meedoet begrijpt niet alleen elkaar, maar zeker ook de stijl en de retorica van Bach, en de artistieke uitgangspunten van het ensemble.

Klein wonder
En die artistieke uitgangspunten zijn groots, hoewel lastig te omschrijven. Er wordt, na al die jaren, niet veel meer gerepeteerd, vernam ik uit betrouwbare bron. Er is een vaste kern die elkaar door en door kent en vooral: aanvoelt, en de toegevoegde solisten of instrumentalisten sluiten naadloos aan bij de esthetiek van het ensemble, zozeer zelfs dat de instrumentalisten die bijvoorbeeld een aria of zelfs koorgedeelte moeten inzetten, zélf het tempo bepalen, of eerder: aanvoelen – of gewoon weten. Het is een volkomen fascinerend proces dat zich voor de ogen en oren van de toehoorders ontvouwt, een compleet andere wijze van musiceren: niet vanuit één centrale, alwetende figuur opgebouwd, maar ontstaande uit het ‘niets’, uit een soort oerbegin dat niemand begrijpt maar toch volkomen helder blijkt – een klein wonder, vond ik het. Natuurlijk, de meeste strijkkwartetten kunnen ook prima zonder dirigent spelen en voelen elkaar goed aan, maar die hebben meestal eindeloos gerepeteerd en geconcerteerd. Dit leek anders: hier ontstond een zeer complex weefsel, met talloze fuga’s, aria’s en duetten en andere ingewikkelde vormen, zonder dat er een vooraf vastgelegd plan leek te bestaan, en als dat er was, had iedereen de opdracht gekregen het zo snel mogelijk weer te vergeten. Ik herhaal: een klein wonder.

Logisch, organisch en overtuigend
Opvallend is dat er vooraf gestemd wordt in bijna alle toonsoorten, en met heel romantische tussendominanten, erg grappig en bijna onheilspellend. Nog opvallender: de eerste maten, Kyrie eleison (Heer, erbarm U), die eigenlijk altijd sterk gespeeld en gezongen worden, waren nu zacht en haast schoorvoetend. Ik schoot meteen in een kramp: heiligschennis, want hier schreeuwt een heel volk om hulp naar zijn Schepper (ook al schreef Bach er geen dynamiek bij): dit concert kan niks worden! Maar toen maakte het wonder zich van mij meester: hoewel ik er altijd van overtuigd zal blijven dat de eerste accoorden groots en dramatisch moeten klinken (affect!), wist Lionel Meunier me ervan te overtuigen dat het ook anders kon: aarzelend, terneergeslagen en bijna levensmoe: ook dat zijn heel herkenbare gevoelens in de barok (denk aan de verschrikkingen van de 30-jarige oorlog in Duitsland). Ik voegde me als vanzelf naar zijn logica en betrad een wereld die ik niet kende, maar wel fascinerend vond, en die volledig logisch, organisch en overtuigend was – een klein wonder.

Volslagen uniek
Een ander klein wonder was de kwaliteit van koor en de daaruit voortkomende solisten – al meteen klonk het koor helder maar toch indringend in de eerste fuga, Kyrie eleison: nergens ‘oude-muziekdwang’ of rare pseudo-Latijnse uitspraken, maar altijd ademend en organisch, met soms ronde en bijna romantische fraseringen. Geen regeltjes uit muziekwetenschappelijke boeken, maar een natuurlijk, bijna intuïtief musiceren, ondanks (of dankzij) de zeer ruime kerkacoustiek. Het Criste Eleison was een hemels paradijs, slank gezongen maar toch met grote tekstexpressie en betrokkenheid, precies, helder en toch warm. Het koor was fascinerend in het tweede Kyrie eleison – niemand heeft een dirigent nodig, iedereen weet wat hij moet doen en kent zijn rol in het complexe stemmenweefsel, en de muziek drijft schijnbaar moeiteloos op Bachs eeuwige cadans, net als in het spannende Et in terra pax en het meesterlijk gezongen duet Domine Deus: deze zangers doorgronden Bach, terwijl in het orkest alles elkaar aanspoort, antwoord geeft en constant contact heeft. Volslagen uniek.

Complete verwondering
In het Laudamus te zingt mezzo-sopraan Sophia Faltas bijna stoïcijns, maar je hangt aan haar lippen door haar dictie, frasering en prachtige stem – ideaal voor deze muziek, net als alle solisten, trouwens. De orkestklank (inclusief fantastisch zuiver en zacht koper) is overigens heel mild: zo heb ik, vreemd genoeg, de strijkers nauwelijks gehoord, zo goed mengen ze in het geheel. Het Credo is volstrekt uniek en barok op zijn best: grillig, afwisselend en dramatisch.
Altzanger Tim Mead zingt onwaarschijnlijk mooi, met veel klasse en gemak – net als zijn collega’s zingt hij geen noten, maar woorden. Zo moet het, net als het spetterende Et resurrexit – zelden zoveel energie en tegelijkertijd agogiek gehoord. Et in spiritum werd prachtig verend gezongen door de lichte bas Sebastian Myrus (misschien iets meer gravitas?), waarna vanaf het Osanna het koor niet meer achter het orkest stond, maar er rondom plaatsnam, waardoor de voorste zangers de koorleider, die achterin bleef staan, niet meer konden zien. Het maakte niets uit: nog steeds was er een absolute eenheid in ademing en wijze van musiceren. ‘Hoe kan dit?’, schreef ik, met open mond, in mijn aantekeningen. Stond Bach zelf ergens mee te dirigeren in een hoekje? Zijn geest was in ieder geval in elke noot aanwezig. Het slotdeel, Dona nobis pacem eindigde in een schier eindeloze, diepe stilte, waarin publiek en koorzangers elkaar diep in de ogen keken, en die waarschijnlijk niet was opgehouden als er toch niet iemand het applaus had ingezet (niet iedereen verdraagt de stilte). Dan waren we gelukzalig en in complete verwondering naar huis gegaan. Nu ook.

Vuur en vlam
Van de hemel naar de hel in slechts een paar dagen: in Salzburg, dat tenslotte ook Mozart heeft voortgebracht, kan eigenlijk alles. De hel voor de arme student Werther dan, die in de gelijknamige opera van Jules Massenet de lieve Charlotte, zijn grote liefde, gekaapt ziet worden door de burgerlijke Albert, en geen andere uitweg ziet om zijn verdriet te ontlopen dan door zelfmoord te plegen, gelukkig in de nabijheid van de inmiddels getrouwde Charlotte – hij voelt zich tevreden om in haar armen te mogen sterven, Charlotte wanhopig achterlatend. De roman van Goethe veroorzaakte, zoals bekend, in heel Europa een hausse aan zelfmoorden van ongelukkige jonge mannen, zozeer zelfs, dat niet alleen het boek maar ook Werthers kenmerkende kleding – een blauw rokkostuum, gecombineerd met een geel vest en een gele broek – op verschillende plaatsen verboden werden. En inderdaad, er is iets aan dit merkwaardige verhaal dat publieken altijd weer emotioneert en ook mij, zeker in combinatie met Massenets geweldige muziek, steevast tot tranen ontroert, zo ook in deze geweldige concertante uitvoering onder leiding van Alain Altinoglu, die met zijn ‘eigen’, heerlijk musicerende Symfonieorkest van de Munt het Große Festspielhaus van Salzburg in vuur en vlam zette.

Geluk en verliefdheid
Stertenor Benjamin Bernheim nam de rol van de gekwelde Werther op zich, aanvankelijk optimistisch en verliefd, later somber en bijna wrokkig. En ja, je moet even aan zijn karakteristieke stemgeluid wennen, want zijn stem is anders dan de gemiddelde tenor: hij wordt gezien als een toonbeeld van de grote Franse lyrische tenortraditie, gekenmerkt door souplesse en gratie, en dat klopt volledig. Hij heeft grote kwaliteiten, zoals een prachtige voix mixte (de typisch Franse techniek van het mengen van borst- en kopstem) en een zilveren en goudachtige glans in de hoogte, die daarnaast fluweelzacht en volledig egaal is. Hij heeft een enorm volume, maar aan de nasaliteit moet je dus even wennen, maar dat gebeurt al snel. Dankzij zijn onvermoeibare en verfijnde techniek klinken de hoge noten nooit geforceerd, maar vol en egaal, hoewel de kenners die de beroemde Domingo-opname kennen daardoor soms wat dramatiek missen. Maar hoe het ook zij: Benjamin Bernheim is een formidabele zanger van wereldklasse, die Werther volledig overtuigend vertolkte, ook in deze als concertant aangekondigde voorstelling, die door vooral Bernheims toedoen al snel bijna volledig scènisch werd, en dat was geweldig: als een ware ‘entertainer’ liep hij in zijn eerste, nog gelukzalige aria het enorm brede podium (een van de breedste ter wereld) enkele malen charmant op en neer, met volle stem zijn geluk en verliefdheid over het publiek uitgietend met prachtige, lange topnoten – echt heel mooi.

Pure, rauwe pijn
De beroemde tenor zei ooit dat ‘Salzburg zoiets is als de Olympische Spelen en het WK voor opera samen’, en zo is het, want alleen de absolute wereldtop is er te vinden, en zo was aanvankelijk de beroemde Franse mezzo Marianne Crebassa geëngageerd voor de rol van Charlotte, maar door persoonlijke omstandigheden moest ze afzeggen. Haar vervangster deed het meer dan uitstekend: de Charlotte van de invalster Adèle Charvet klonk diep, warm, dragend, heel expressief en heerlijk lyrisch fraserend. Haar briefaria, waarin ze de prachtige brieven van Werther toch maar één voor één, huilend, verbrandt, was huiveringwekkend van schoonheid en pure, rauwe pijn – tranen, dus. De solo-saxofoon was lekker aanwezig, maar had nog wat meer van de schurende dissonanten mogen genieten. Sandra Hamaoui’s Sophie had een mooie uitstraling, hoewel haar stem iets jonger mocht klinken voor een vermeende 15-jarige. Haar vibrato was iets te groot en haar hoogte net te onzeker. Haar zusjes en broertjes waren aandoenlijk, accuraat, fris, zuiver en mooi van klank. De Moldavische bariton Andrey Zhilikhovsky, vorig jaar nog in Amsterdam te horen, zong een geweldige Albert: indringend, klankrijk, streng en vol autoriteit.

Samensmelting
Maar toen! Benjamin Bernheim had zijn beroemde aria Pourquoi me réveiller nog niet af of het publiek begon uitzinnig te applaudisseren, en volkomen terecht: zijn interpretatie was zó ademend, zó lyrisch (misschien zelfs iets té) en zó prachtig van klank dat het volkomen begrijpelijk was dat het publiek het applaus niet meer losliet, waarop de stertenor met een miniem knikje de dirigent te kennen gaf het geheel nog eens te willen zingen. Duidelijk was dat het niet was voorbereid, want er werden de nodige, maar onopvallende aanwijzingen aan het orkest gegeven, en zo volgde, volkomen spontaan, de hele aria opnieuw, in dezelfde lyrische, dolce, melancholische interpretatie als daarvoor, hetgeen dezelfde stormachtige reactie opriep. Even dacht ik dat de zanger het ten derde male ging zingen – het had me met zijn bravoure en uithoudingsvermogen totaal niet verbaasd – maar dat ging helaas niet door. De fatale omhelzing volgde (die overigens van Charlotte vocaal best was explosiever had mogen zijn) en Werther stormde het toneel af, zijn einde tegemoet. Wie maalde nog om regie, om decorstukken en rekwisieten? Ik niet, want de zangers zongen en acteerden zo beeldend dat ik me eigenlijk afvroeg waarom we het niet altijd (semi-)scènisch doen, zonder de last van regisseurs met hun altijd weer nieuwe doldwaze ‘ideeën en vondsten’. Maar dit terzijde, want een indringende sterfscène volgde, waarin Charlotte en Werther volledig vocaal en scènisch samensmolten en het orkest, dat al de hele avond voorbeeldig, poëtisch en expressief begeleidde zichzelf nog overtrof, niet in de laatste plaats door de gevoelige leiding van Alain Altinoglu. Op de Salzburger Festspiele ging de hemel minimaal twee keer open.
Peter Schlamilch

Meer info Bach: salzburgerfestspiele.at
Meer info Werther: salzburgerfestspiele.at