Hooglied versus Goudkoorts – Zuidam en Daniel-Lesur bij het Nederlands Kamerkoor*

Door Michael Klier
Lidy Blijdorp
Op het podium stond celliste Lidy Blijdorp. Ze werd tijdens de inleiding bevraagd over haar rol in het nieuwe stuk van Rob Zuidam, The Great Alone. De cello staat daarin voor verlatenheid, voor eenzaamheid zonder verbinding. Én, gek genoeg voor een koorwerk, voor de menselijke stem. De componist zelf beschrijft het zo: ‘Af en toe is instrumentale muziek te horen — als een signaal waarop geen antwoord komt.’
Zuidam
The Great Alone is een stuk over eenzaamheid. Dit gevoel van een onoverbrugbare afstand tot de ander komt eveneens tot uiting in de Fermi-paradox. Volgens theorieën over het ontstaan van het leven op aarde zou er ook elders in het universum intelligent leven moeten bestaan — maar tot nu toe is dat nergens waargenomen. „Maar waar is iedereen dan?”, riep de Italiaans-Amerikaanse natuurkundige Enrico Fermi daarom in 1950 uit. Op zoek naar een tekst die dit gevoel het beste weergeeft, vond Zuidam een strofe in het gedicht The shooting of Dan MaGrew van de Engelse dichter Robert W. Service. Service reisde in 1904 naar Alaska om deel te nemen aan de goudkoorts die daar gaande was.

Scene uit de film The shooting of Dan MaGrew
The Great Alone
Uit deze strofe gebruikt Zuidam in zijn 35 minuten durende compositie wederom maar enkele tekstfragmenten Op deze manier ontstaat een verzameling klankeilanden, gebaseerd op zinsfragmenten (‘The moon was awful clear’, ‘A half-dead thing’, ‘the North Lights’). Zuidam: ‘De zanglijnen benaderen de zangers in wezen als individuen, als afzonderlijke atomen, die gedurende het hele stuk allerlei verbindingen met elkaar aangaan en in verschillende lagen ten opzichte van elkaar verschuiven.’.

Sofi Jeannin
Het stuk begint theatraal: dirigente Sofi Jeannin staat moederziel alleen op het lege podium. Ze maakt enthousiaste dirigeergebaren maar vindt geen gehoor. Pas na meerdere tevergeefse pogingen reageert een enkele stem vanuit de coulissen. Daarna komen de 24 zangers en twee instrumentalisten één voor één zingend en musicerend het podium op. In twaalf delen ontvouwt zich deze verrassend moderne compositie verder met theatrale middelen. Om de kou uit te beelden slaan de koorleden hun handen om het lijf. We zien ze klappertanden en met hun handen hun mond bedekken.

Indringend en eenzaam
Cello en percussie (Te-Ping Teng) spelen zowel solistisch als het koor begeleidend. Vooral Blijdorp geeft met indringend klagende melodielijnen de solitaire enkeling een stem. Naast deze rapsodische soli speelt ze ook virtuoos snelle loopjes. Teng zet daar kil klokkenspel-getokkel tegenover. The Great Alone eindigt eveneens theatraal: één voor één draaien de zangers zich om totdat het publiek tegen een zwijgzame muur van ruggen aankijkt. Duidelijker kun je eenzaamheid niet uitbeelden.

Sandström
Het volgende Four Songs of Love van Sven-David Sandström ademt een zachte liefdevolle sfeer uit. De vier sensuele teksten uit de Bijbel (Het Hooglied) worden verdeeld als dialoog tussen de hoge en de lage stemmen. Elk deel is kort en vangt één moment, zoals wakker worden naast een geliefde. Sandström gebruikt ademgeluiden, glissandi en clusters om spanning en ontlading op te bouwen. Maar vooral de beeldschoon zesstemmige gezongen harmonische wendingen maken deze liefdesliederen tot een warm bad voor de ziel.

Daniel-Lesur
Het concert eindidgt met Le Cantique des cantiques, een van de belangrijkste Franse koorwerken van de twintigste eeuw. De Franse componist Jean-Yves Daniel-Lesur, hij richtte in 1936 samen met Olivier Messiaen de groep La Jeune France op, schreef het in 1952–53 voor twaalf solostemmen a cappella. Het Nederlands Kamerkoor zingt het met de dubbele bezetting van 24 zangers. Deze volle bezetting zorgt in de forte passages voor veel volumen. Jeannin heeft de stille, intieme passages daarentegen vaak solistisch bezet.
Het Hooglied
Ook Daniel-Lesur neemt delen uit het hooglied als tekst. Hij bouwt daaruit in zeven delen een verhaal op: van verlangen en zoeken naar de vereniging van twee geliefden. Elk deel zet andere accenten. Zo zingen eerst verschillende vrouwenstemmen solistisch, dan zijn de mannen aan de beurt. De muziek verandert van vrolijk en Messiaen-achtig in Le Roi Salomon naar vertellend in het vijfde deel. Het hoogtepunt vormt het slotdeel, Épithalame(bruiloftslied). Hier vloeit de Franse tekst samen met het gregoriaanse Veni sponsa Christi tot een Alleluia dat steeds verder aanzwelt.
Voor mij voelde deze zinderend veelstemmige koormuziek als een positief antwoord op Zuidams signaal van eenzaamheid.
Michael Klier
Foto’s:
De recensie verschijnt ook op https://musicwork.shop/blog/