Nederlands Philharmonisch speelt overtuigende Don Juan

Nederlands Philharmonisch o.l.v. Eva Ollikainen. Joel Järventausta – Bacchanale, Antonin Dvořák – Vioolconcert in a, Richard Strauss – Don Juan, Gustav Mahler – Symfonie nr. 10 (Adagio). Met Isabelle Faust, viool. Gehoord: 11 mei 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam
Door Peter Schlamilch
Het is natuurlijk lovenswaardig dat het Nederlands Philharmonisch jonge componisten uit de avant-garde een kans geeft om gehoord te worden, en meestal nog prijzenswaardiger is dat dat vrijwel altijd in de vorm gebeurt van een kort openingsstuk van hooguit tien minuten: zo kun je je nooit een echte buil vallen. Maar zo langzamerhand slaan we een beetje door, ook de andere orkesten, en horen we zelden nog een stevige ouverture van Brahms, Mendelssohn of natuurlijk Beethoven, met welke laatste het mooie programma van afgelopen maandag natuurlijk prima had kunnen beginnen.

Milde contrastwerking
Zeker, als zo’n modern werkje hemelbestormend (of juist diep-poëtisch) is, horen we het natuurlijk graag, maar de Bacchanale van de jonge Finse componist Joel Järventausta hadden we eigenlijk best kunnen missen, want hoewel het allemaal prima klonk en zeker niet onaangenaam was, hoorde ik in de uiterst ‘eclectische’ klanken toch niet veel opzienbarends, ondanks het enorme volume en tempo. Misschien juist daardoor dat het werk niet overtuigde, want enige milde contrastwerking was wel aardig geweest, en daar was ook nog ruimte voor, want al na een paar minuten razernij hield het plotseling op. We verwachtten eigenlijk een klein, rustig middendeel, maar dirigente Eva Ollikainen gaf aan dat het uit was met de pret, en het publiek klapte beschaafd.

Weinig kleurverschillen
Ook beschaafd was het applaus na Dvořáks Vioolconcert, dat de Tsjechische meester voor de beroemde Hongaarse violist Joseph Joachim schreef, die er echter zoveel kritiek op had dat hij het nooit publiekelijk uitvoerde. Dvořák had zeer veel respect voor Joachim en paste het stuk, in overleg met hem, tussen 1879 en 1882 herhaaldelijk aan. Dvořák schreef aan zijn uitgever Simrock dat hij het concert zo grondig had herzien dat ‘geen enkele maat ongewijzigd was gebleven’. Natuurlijk is het grillige en soms lastig te volgen werk een vast repertoirestuk geworden, maar toch slaagde violiste Isabelle Faust er niet in om het overtuigend ‘uit te leggen’, en ook dirigente Ollikainen leek weinig grip op de muziek te krijgen. Er kwamen geen structuren of overkoepelende ideeën naar voren en ze leidde het uitstekend spelende NedPho met aarzelende, bijna afwachtende gebaren, keurig van begin tot eind, maar van veel opbouw was geen sprake. Dat kan ook aan haar uiterst beperkte slagtechniek gelegen hebben, want het tikpunt van de, op zich doodsimpele, slagpatronen, waarop de orkestmusici zich focussen in hun toch al soms heel lastige partijen, lag soms op buikhoogte, en dan weer ver boven het hoofd. Natuurlijk, de professionals van het Nederlands Philharmonisch spelen ook dan uitstekend door, maar het is toch jammer: er mist dan zoveel informatie in de slag dat je aan een interpretatie nauwelijks toekomt. Ook Faust leek daaronder te lijden, want ondanks het feit dat haar toon zeer mooi van klank en loepzuiver was, leek ze naar weinig kleurverschillen en verrassingen te zoeken: ze klonk prachtig, maar te monochroom voor Dvořáks tientallen muzikale invallen die – toegegeven – misschien niet allemaal even geniaal zijn.

Dramatische uitroepen
Na de pauze leek Ollikainen een ander mens: Strauss’ Don Juan was duidelijk haar lijfstuk – viriel, energiek en explosief leidde ze, nu wél zelfverzekerd, het NedPho behendig, dienstbaar maar toch met visie door de soms razend lastige passages, nu wél met opbouw en structuur, waarbij gezegd moet worden dat deze fantastische partituur zich ook bijna ‘vanzelf’ speelt, hoe lastig ook. Het orkest was in topvorm en smulde zichtbaar van deze muziek, net als het laaiend enthousiaste publiek.

Afgesloten werd met het Adagio uit de Tiende symfonie van Gustav Mahler, de symfonie die hij nooit heeft kunnen voltooien – ingehaald door een voortijdige dood. Het is waarschijnlijk een van zijn beste werken: ogenschijnlijk vaak kalm en beheerst, maar het is de beheersing van de door zijn levensliefde Alma verraden kunstenaar die inwendig schreeuwt en gilt. Alles culmineert in twee machtige, zeer dissonante accoorden, samengebonden door een zeer lange trompetnoot, de A (van Alma?), waarmee hij wil zeggen: ‘Alma, blijf bij me, verlaat me niet’. Ze koos uiteindelijk voor Gustav en niet voor haar minnaar, Walter Gropius, maar echt gezellig zijn hun laatste maanden niet meer geworden. Zelf denk ik bij het horen van deze dramatische uitroepen steevast aan de beroemde Schreeuw van Edvard Munch, nog maar 17 jaar eerder geschilderd – het is overigens niet bekend of Mahler het doek kende.

Hartverscheurende zielepijn
Van al deze context leek dirigente Eva Ollikainen geen weet of last te hebben: na haar prima Don Juan viel ze weer enigszins terug in haar eerdere, wat afstandelijke houding die de vele, zoekende en aftastende altviool-groepssolo’s wat te prozaïsch, en de hartverscheurende zielepijn wat te mild liet klinken, een woord dat je toch niet snel met de Tiende associeert. Het NedPho liet zich deze muzikale buitenkans echter toch niet ontnemen en speelde met hart en ziel: gevoelig, emotioneel, en vooral doorleefd-Mahleriaans. Heerlijk!
Peter Schlamilch
Foto’s: Marco Borggreve e.a.
Meer info: orkest.nl