Adembenemend musiceren met Santtu-Matias Rouvali

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Santtu-Matias Rouvali. Soliste: Sol Gabetta, cello. Programma: Antonín Dvořák, In de natuur op.91, Bohuslav Martinů, Celloconcert nr. 1, Igor Stravinski, Jeu de cartes, Maurice Ravel, Suite nr. 2 uit Daphnis et Chloé. Gehoord: 13 mei 2026, Concertgebouw, Amsterdam.
Door Michael Klier
‘A true Finn is something slightly special.’ aldus dirigent Santtu-Matias Rouvali. De musici van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) kunnen dit beamen. Dan is toch niet alleen hun toekomstige chef Klaus Mäkelä de enige Fin waar zij blind op varen. Ook Rouvali is in Finland geboren en komt sinds zijn debuut in 2020 elk jaar terug. Deze zomer gaat het KCO zelf met hem op tournee. Ik hoorde Rouvali deze week voor het eerst en was vanaf de eerste noot verkocht. Rouvali is een fenomeen.

Rouvali
De pas veertigjarige dirigeert met de meest fijnzinnige gestes. Daarmee bezweert hij de muziek en (ver)leidt zijn musici tot topprestaties. Naar Rouvali kijken is al een belevenis op zich. Zijn bewegingen schijnen moeiteloos en sprankelen van elegantie. Bovendien spat het plezier er vanaf. Maar nog veel belangrijker: zijn onontkoombare fascinatie voor muziek werkt immens aanstekelijk. Hij krijgt daarmee de beste orkestmusici van de wereld mee en boekt uitzinnige resultaten. Zo ook deze week in Amsterdam.

Dvořák
Het programma zat perfect in elkaar. Het begon met een onbekende concertouverture In de natuur van Antonín Dvořák. Dit stuk heeft Dvořák als eerste van een triptiek met de delen Natuur, Leven, Liefde geschreven, maar is naderhand als drie aparte orkeststukken uitgegeven. Als geheel is het een ode aan de ‘goddelijke natuur’. Rouvali liet het orkest in romantische klankgolven zwelgen. Opvallend waren de sporadische accenten die hij lichtvoetig aangaf en die de KCO musici markant uitvoerden als plotselinge bliksemflitsen op een zomerse dag. Perfecter kan een concertavond haast niet beginnen.

Martinů
‘Martinů representeert de Europese folklore, en heel specifiek natuurlijk de klanken uit zijn geboorteland Tsjechië’, Zei de soliste van de avond, celliste Sol Gabetta in een interview. ‘Wat ik heel boeiend vond: toen ik na Martinů weer terugkwam bij Dvořák, hoorde ik daarin weer heel andere accenten.’ De eveneens uit Bohemen afkomstige Martinů heeft naast 6 symfonieën en 15 opera’s ook veel kamermuziekwerken geschreven. Dat hoor je terug in zijn eerste celloconcert waarin de altviool de soliste aanvult in haar lange cadens. Martinů schreef het stuk in Parijs in 1930 en heeft het later nog twee keer bewerkt.

Gabetta
Gabetta speelde de versie van 1955 en zat vanaf het begin met volle concentratie in deze neoklassieke achtbaanvaart. Sommige van haar virtuoze loopjes waren zo snel dat ik ze achter in de zaal amper nog kon horen. Dat lag ook aan Rouvali die de balans tussen soliste en orkest niet altijd even goed in de gaten had. Maar vanaf het tweede deel was Gabetta met haar indringende, onder de huid gaande cellotoon aan kop. Ze speelde de eigenzinnige en gedeeltelijk zelfs ruige muziek alsof deze uit haar zelf kwam. Het was fantastisch om te zien hoe ze steeds contact zocht met Rouvali om de kleinste details met hem af te stemmen. Als toegift speelde Gabetta de Flamenco van Rogelio Huguet Y Tagell. Met haar sprankelende muzikaliteit speelde ze dit staaltje prachtige Spaanse muziek vol levenslust en dansgenot.

Stravinski
Na de pauze ging dit muziekfeest door met twee balletmuzieken. Rouvali zette eerst Stravinski’s eveneens neoklassieke Jeu de cartes neer als een huis. De opdracht voor deze minder bekende balletmuziek kwam van de danser en choreograaf George Balanchine. Hij kende Stravinski uit Parijs waar hij in de jaren ’20 van de vorige eeuw bij het Ballets Russes had gedanst en al had gechoreografeerd. Vanuit New York gaf hij de opdracht voor Jeu de cartes dat Stravinski in 1936 voltooide. Zijn baldadige muziek zit vol maatwisselingen en heeft de vorm van een kaartspel. De kaarten worden drie keer gedeeld, telkens fanfare-achtig aangekondigd door de fantastische blazers.

Ravel
Het hoogtepunt van de avond bleef voorbehouden aan het laatste stuk, de Suite nr. 2 uit Daphnis et Chloé. Deze hemelse Ravel is een paradestuk van het orkest. Sinds 1917 heeft het KCO deze in 1913 voltooide suite 180 keer gespeeld en dat kun je horen! Perfecter kan het niet. De overgang van de lange subliem gespeelde fluitsolo naar de altfluit was droomachtig mooi en ook de overige (hout)blazers excelleerden in deze spraakmakende uitvoering, niet op de laatste plaats door de dirigent uit Finland.

Rouvali: ‘It’s just something new for orchestras to see, that Finns do it in their own way.’
Michael Klier
Foto’s: Eduardus Lee, Marco Borggreve, Julia Wesely,
De recensie verschijnt ook op https://musicwork.shop/blog/
Info:
www.concertgeboworkest.nl