Orchestra di Santa Cecilia subliem in Rachmaninoff*

Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia o.l.v. Stanislav Kochanovsky. Nikolai Lugansky, piano. Sergei Rachmaninoff – De Rots: Fantasie voor orkest, Op. 7, Pianoconcert nr. 1 in fis, Pianoconcert nr. 2 in c. Gehoord: 21 september 2026, Sala Santa Cecilia, Auditorium Parco della Musica, Rome. * Door omstandigheden wat later gepubliceerd.
Door Peter Schlamilch
Het was voor mij de eerste keer dat ik het wereldberoemde Romeinse Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia live hoorde (natuurlijk kende ik de talloze legendarische plaatopnamen), en laat ik het meteen maar verklappen: dit orkest maakt zijn wereldstatus volledig waar – het zingt, is loepzuiver, schitterend en veelkleurig van toon, en heeft bovendien een heel aparte speelwijze, met een zeer actieve concertmeester die af en toe half oprijst uit zijn stoel om de aanwijzingen van de dirigent nóg beter tot zijn collega’s, en echt niet alleen de eerste violen, door te laten dringen.

Legendarische dirigenten
De Accademia Nazionale di Santa Cecilia werd in 1585 door paus paus Sixtus V opgericht en is daarmee een van de alleroudste muziekinstellingen ter wereld. Ze begon als een gilde, een broederschap (congregazione) van Romeinse muzikanten en componisten en had twee patroonheiligen: paus Gregorius de Grote (de grondlegger van het Gregoriaans) en Sint-Cecilia, de patroonheilige van de muziek. In de beginjaren was de broederschap gevestigd in het prachtige Pantheon, midden in de stad, en daarna was de academie te gast bij verschillende Romeinse kerken. In de barok groeide de congregatie uit tot een machtig instituut: pausen gaven de organisatie het monopolie over het muziekleven in de Kerkelijke Staat – wie in Rome of omstreken als kapelmeester of professioneel muzikant wilde werken, moest verplicht slagen voor een examen bij de congregatie. Grote componisten uit die tijd, zoals Arcangelo Corelli en Alessandro Scarlatti, waren nauw aan het instituut verbonden. In 1838 transformeerde de broederschap officieel tot een Academie, die zich openstelde voor alle takken van de kunsten, en buitenlandse grootheden als Franz Liszt, Felix Mendelssohn en Charles Gounod werden tot ereleden benoemd. Pas aan het einde van de 19e eeuw richtte zich de aandacht steeds meer op het organiseren van publieke concerten, en in 1908 werd het vaste symfonieorkest opgericht, het eerste orkest in Italië dat zich puur en alleen op symfonische muziek richtte, waar andere orkesten veeleer op opera waren gericht. Legendarische dirigenten zoals Gustav Mahler, Claude Debussy, Arturo Toscanini en Igor Stravinsky stonden er op de bok.

Donkerbruin tot fluweelzacht
Nadat de concerten decennialang op historische locaties zoals het Augusteo (het mausoleum van keizer Augustus) en het Teatro Adriano werden gehouden, verhuisde de hele organisatie vanaf 2003 naar haar huidige onderkomen, het indrukwekkende Auditorium Parco della Musica, ontworpen door de wereldberoemde architect Renzo Piano – de grootste zaal van dit complex (met 2.800 stoelen) is vernoemd naar de academie zelf: de Sala Santa Cecilia. Na memorabele chef-dirigenten als Antonio Pappano, Myung-Whun Chung, Daniele Gatti en Giuseppe Sinopoli (Italië) wordt het orkest sinds 2024 door de Brit Daniel Harding geleid, hoewel het concert dat ik bijwoonde gedirigeerd werd door de Russische dirigent Stanislav Kochanovsky (chef-dirigent van de NDR Radiophilharmonie) en vaste gastdirigent van het Romeinse orkest. Kochanovsky dirigeert gepassioneerd zonder overdreven extatisch te worden, lyrisch en met grote lijnen, waarbij hij zijn prachtige linkerhand gebruikt om lange, verrassend heldere lyrische frasen te schetsen. Hij laat het orkest de hoofdrol, en dat is verstandig, want dit orkest is inderdaad een wonder van samenspel, klankkleur en muzikaliteit: de houtsolo’s zijn zonder uitzondering uitmuntend en zeer karaktervol, de strijkers hebben alle kleuren van donkerbruin tot fluweelzacht – de contrabassen laten het gigantische auditorium zelfs met de zachtste pizzicati op zijn grondvesten resoneren – en het koper is massief en volumineus in de laagte en zoet in de hoogte. Iedereen in het orkest lijkt niet alleen de muziek te doorgronden, maar ook elkaar te begrijpen en aan te voelen – er is veel onderling contact (en waardering), en interactie en samensmelting zijn voorbeeldig.

Ernstig en kalm
Uiterst opmerkelijk is ook dat concertmeester Carlo Maria Parazzoli, die overigens na het orkest apart is opgekomen en ook apart applaus krijgt, een actieve rol op zich neemt: hij is geestdriftig, kijkt goed om zich heen of iedereen hem volgt en richt zich soms zelfs half op uit zijn stoel om contact te zoeken met spelers die wat verder weg zitten, of zelfs achter hem – prachtig om te zien. Zoveel betrokkenheid en toewijding hebben natuurlijk meer concertmeesters, maar in deze mate is het echt opmerkelijk, maar ik vond het leuk, ook omdat dirigent Kochanovsky er geen enkel probleem mee leek te hebben: er leek een soort extra inspiratiebron te ontstaan die kennelijk in dit orkest heel normaal is, maar wat ik nog nooit zó gezien had – nogmaals: het was positief en fascinerend.

Niet minder fascinerend was meesterpianist Nikolai Lugansky, die de heerlijke Pianoconcerten 1 & 2 van Sergei Rachmaninoff volkomen vlekkeloos ten gehore bracht, met flair, diepte en expressie, zingend waar het kon, viriel waar het moest en teder waar gewenst. Hij speelt alles met een prachtig toucher en grote onverstoorbaarheid, een onverstoorbaarheid die misschien niet altijd bij Rachmaninoffs hartstochtelijke, emotionele en weelderige muziek past (hoewel de componist, ondanks heftige zieleroerselen, volgens tijdgenoten uiterlijk altijd ernstig en kalm was – Strawinsky noemde hem zelfs gekscherend een ‘frons van bijna twee meter lang’), maar uitstekend bij deze enorme prestatie om alle vier de pianoconcerten én de Rapsodie op. 43 in slechts zes dagen uit te voeren en live op te nemen (Harmonia Mundi).

Hypermuzikaal
Lugansky speelde vrijwel vlekkeloos, maar ging de grens van de gekte niet over: helder van structuur en technisch hoogstaand, daarbij geholpen door de beste, meest evenwichtige Steinway die ik ooit hoorde: volkomen aanspreekbaar in alle registers, zonder de overbodige scherpte in de diskant die je soms nog wel eens hoort en met volle basnoten. Het Eerste pianoconcert kende een helder en meeslepend openingsdeel, een boeiend en poëtisch langzaam deel en een flitsend gespeeld slotdeel. In het Tweede pianoconcert ging de concertmeester nog nèt niet staan, zo gepassioneerd werd er in het orkest gespeeld, met weer die beukende pizzicati in de contrabassen (wàt een fundament), soms grommende, dan weer zingende celli en middenstemmen die vol en rijk klonken. De violen schakelden moeiteloos van zwartbruine kleuren naar lieflijk-zangerige melodieën over, waarbij het aanlokkelijk is om dat ‘typisch Italiaans’ te noemen (opera), maar ze bleven toch altijd ‘echt Russisch’, geholpen door zowel de dirigent, die steeds precies de juiste balans tussen sturen en loslaten bezat, als door de waanzinnig mooie acoustiek van de tot de laatste stoel uitverkochte zaal.

Het orkest speelde ademend, stromend, in volstrekt natuurlijke tempi en hypermuzikaal, maar ja, wat is dat? De juiste timing, balans, het naar elkaar luisteren, tja… je moet erbij geweest zijn (of de cd’s gaan kopen). Het eerste deel was een diep rapsodisch drama, het tweede beeldschoon, dromerig, met meesterlijke blazerssoli en… wat klonk die piano toch heerlijk. Er werd intelligent gestreken, met oneindig veel kleuren en op een muzikale manier spatgelijk: homogeen en massief, met rubati (zwevend tempo) binnen rubati – ongelooflijk. Het derde deel had explosiever mogen zijn, maar wat werd ook hier mooi gemusiceerd, edel en beschaafd: de aanvoerders van de strijkers zochten het contact en keken elkaar aan alsof er een groot muzikaal geheim werd gedeeld, en zo hoort het. De slotmaten waren extatisch, in een ultieme vereniging van orkest, dirigent en solist: een staande ovatie was de terechte bekroning van dit exceptionele concert.
Peter Schlamilch

Meer info: santacecilia.it