Warrige regie blok aan het been bij Fledermaus in Zürich*

Johann Strauss – Die Fledermaus. Koor en Orkest van de Oper Zürich o.l.v. Jonathan Bloxham. Bo Skovhus (Gabriel von Eisenstein), Camilla Nylund (Rosalinde), Sydney Mancasola (Adele), Ruben Drole (Frank), Siena Licht Miller (Prinz Orlofsky), Johan Krogius (Alfred), Thomas Lehman (Dr. Falke) e.a. Regie: Anna Bernreitner. Gehoord: 29 september 2026, Opernhaus, Zürich. * Door omstandigehden wat later gepubliceerd.
Door Peter Schlamilch
Ik waande me even op een feministische protestbijeenkomst in de jaren ‘90 toen ik het programmaboek van Die Fledermaus in het Opernhaus Zürich opsloeg: naast vele teksten van radicaal-linkse denkers als Heiner Müller, Carolina Mendonça en Elfride Jellinek (ze contempleerden veel over ongelijkheid, patriarchale structuren en identiteitspolitiek) waren er maar liefst vier complete pagina’s ingeruimd voor de ‘Glazen Plafond-index’ van de OECD, compleet met een tabel van ranglijsten van verschillende landen, waarin de beroepskansen voor vrouwen waren af te lezen.

Ontgroeningsfeesten
Wat dat alles precies met het verhaal van Die Fledermaus, waarin de mannen toch uiteindelijk de sukkels blijken te zijn en door de vrouwen op hun plaats worden gezet, te maken had schoot mij niet zo snel te binnen, maar tijdens de voorstelling bleek dat regisseuse Anna Bernreitner vele teksten had veranderd – zo werd Brüderschaft opeens Schwesterschaft – een verandering die overigens, vreemd genoeg, maar niet tot een bepaald politiek punt wilde leiden, waardoor de regie, die bij vlagen best grappig was, steeds meer op een wat rommelige grabbelton van allerlei sociale ideeën begon te lijken. Gelukkig maar, zou ik zeggen, want als ik iets over de huidige politiek wil weten koop ik wel een krant – daarvoor is de opera echt niet uitgevonden. Bernreitner had de handeling van de proloog verlegd van de 19e-eeuwse Weense salons naar de ontgroeningsfeesten van universitaire studenten, via een projectie afgespeeld tijdens de ouverture – best leuk en inventief, hoewel de grote blamage die toen Eisenstein onderging, en waar het hele stuk om draait, niet helemaal tot zijn recht kwam. (Overigens werd de complete ouverture twee maal gespeeld, naar ik aanneem door een technisch probleem op de Bühne.) De rest van de handeling speelde zich op verschillende imaginaire plekken af: aanvankelijk in het nogal bordkartonnen interieur van de eetkeuken bij de Eisensteintjes thuis, daarna op een op soort veelkleurige fantasy-party waar uiteraard iedereen weer eens ‘zichzelf mocht zijn’ – een inmiddels platgetreden cliché dat helaas door niets bijzonderders werd uitgebeeld dan door allerlei personen in kleurrijke en extravagante kledij – al heel vaak gezien. In de derde akte waren we in iets dat men mij naderhand verklaarde als ‘Schicksalsraum’ en waar een soort Wagner-nornen, Skuld, Verdandi en Urd (alle drie bedacht door de regisseuse) aan de ‘draad van de tijd’ zaten te pulken, onderwijl ingewikkelde en nogal saaie teksten debiterend, wat allemaal nogal traag verliep.

Lekker kittig
En daar raken we aan het echte probleem van deze voorstelling, want niet alleen liepen de dialogen vaak wat moeizaam (of soms ronduit verkeerd) en waren ze door de herschrijvingen van de regisseur eerder taaier dan grappiger geworden, ook de succesvolle Britse dirigent en voormalig professioneel cellist Jonathan Bloxham maakte zo weinig tempo dat veel zangers naar adem stonden te happen en popelden om vaart te maken – Bloxham gaf ze echter weinig kans, waardoor ook lang niet alles spatgelijk was. Waar de geniale Fledermaus het juist van snelheid en humor moet hebben, verkeerde deze voorstelling meestal in het tegendeel: niet erg vlot (op de prima gespeelde ouverture na) en ook niet bijzonder komisch. De meestal uitstekende zangers deden wat ze konden: de Amerikaanse sopraan Sydney Mancasola zong èn speelde haar Adele grappig, voluit en toch lekker kittig (haar Duitse uitspraak kon beter), de Finse tenor Johan Krogius (Alfred) maakte direct al met zijn fraaie eerste inzet indruk met zijn mooie, heldere en lyrische stemgeluid en de beroemde Deense bariton Bo Skovhus was een geweldige, arrogante en woedende Eisenstein, fenomenaal zingend en acterend.

Longen uit het lijf
De Finse sopraan Camilla Nylund (Rosalinde) was natuurlijk de spil waar alles om draaide, en ze zong mooi en warm, maar voelde zich wellicht wat minder thuis in deze rol, gezien het feit dat ze inmiddels de zwaarste dramatische rollen heeft gezongen – het is dan vrij uniek om zo’n lichtvoetige en komische operetterol te vertolken. Haar uitstraling was soeverein als die van een echte Wagner-zangeres, maar de nogal warrige regie gaf haar zichtbaar te weinig houvast om echt te schitteren, ook omdat decor, kleding en belichting vaak nogal grauw waren, op de tweede akte na, die met een erg traag Openingskoor begon en dito aria van Orlofsky (de heel mooi zingende Duits-Amerikaanse mezzo-sopraan Siena Licht Miller), en ook de aria van Adele maakte weinig vaart. Het grootste probleem was echter het volume van het orkest: Bloxham liet de het de hele avond zo consequent sterk spelen, dat de zangers kracht moesten zetten om hun vaak genuanceerde partijen hoorbaar te maken, zoals bij de beroemde en zeer veeleisende Csárdás ‘Klänge der Heimat’ (uiteraard door de regisseuse omgedoopt tot ‘Klänge der Freiheit’ – waarom toch?), waarin Nylund de longen uit het lijf moest zingen om over het orkest te komen. Nou kan ze dat uitstekend, maar of dat bij Strauss’ stijl past…? Hetzelfde gold overigens voor het te sterk begeleide dromerige koor ‘Brüderlein’, een term die overigens Bernreitners censuur had overleefd (of over het hoofd was gezien).

Verschlimbessern
Voorafgaand werden we getrakteerd op de Afro-Cubaanse bewerking van de Tritsch-Tratsch-Polka van Paul Desenne, ‘Triqui Traqui’ geheten, waarin componist Strauss’ traditionele Weense polka tot een ‘opzwepend’ stuk vol syncopen, percussie (zoals maraca’s en extra trommels) en Latijns-Amerikaanse dansritmes transformeerde – ik vond het afbreuk doen aan de eenheid van Strauss’ magnum opus, maar wie ben ik? Wel begon ik te begrijpen waarom ik eerder in de voorstelling zoveel ‘Spaans’ had gehoord en gezien, en het zou best kunnen dat dit werkje het uitgangspunt van grote delen van de regie is geweest – oeps… dat zou best prozaïsch zijn.

Het terzet tussen Eisenstein, Alfred en Rosalinde ging muzikaal fantastisch, maar had in het witte, sciencefiction-achtige toneelbeeld eigenlijk weinig relatie meer met het verhaal, waaruit ook nog de lange, vaak erg komische monoloog van gevangenisbewaarder Frosch geschrapt was. Toen ook nog de kern van de operette, de algehele vergeving, verdwenen bleek te zijn, realiseerden we ons dat we toch echt ver verwijderd waren geweest van Strauss’ absolute meesterwerk, dat het was aangepast en uiteindelijk, zoals de Duitsers dat noemen, ‘verschlimbessert’, oftewel: iets proberen te verbeteren, maar het door die goedbedoelde actie onbedoeld juist erger maken. Natuurlijk mag en moet opera met zijn tijd meegaan, maar dat moet altijd zinvol en logisch gebeuren. Daarvoor was deze regie te anekdotisch en te warrig.
Peter Schlamilch
Meer info: opernhaus.ch