Torre del Lago Puccini in de ban van Plácido Domingo*

Giacomo Puccini – La Bohème. Orchestra del Festival Puccini o.l.v. Leonardo Sini. Stefan Pop (Rodolfo), Massimo Cavalletti (Marcello), Gianluca Buratto (Colline), Alberto Petricca (Schaunard), Mariangela Sicilia (Mimì), Maria Novella Malfatti (Musetta). Regie: Ettore Scola. Gehoord: 28 augustus 2026, Gran Teatro all’aperto Giacomo Puccini, Torre del Lago Puccini

Giacomo Puccini – La fanciulla del West. Orchestra del Festival Puccini o.l.v. Valerio Galli.Anna Pirozzi (Minnie), Claudio Sgura (Jack Rance), Roberto Aronica (Dick Johnson), Paolo Antognetti (Nick), Volodymyr Morozov (Ashby) e.a. Regie: Angelo Bertini. Gehoord: 29 augustus 2026, Gran Teatro all’aperto Giacomo Puccini, Torre del Lago Puccini

 Plácido Domingo – Gran Gala. Orchestra del Festival Puccini o.l.v. Marcello Rota. Plácido Domingo, bariton, María José Siri, sopraan. Gehoord: 30 augustus 2026, Gran Teatro all’aperto Giacomo Puccini, Torre del Lago Puccini. * Door omstandigheden verlate publicatie van deze recensies.

 

Door Peter Schlamilch

 

 

En toen stond daar zomaar de legendarische Spaanse tenor Plácido Domingo op het podium, inmiddels 85 jaar oud maar nog zichtbaar genietend van de muziek, het orkest om hem heen en natuurlijk het publiek, dat met 3.370 dolenthousiaste fans het complete openluchttheater in Torre del Lago, het Gran Teatro Giacomo Puccini, vulde. Natuurlijk, de vroegere heldentenor zingt inmiddels in baritonregister, maar het vuur van vroeger is nog geenszins geweken, en de topnoten, vroeger de hoge C en tegenwoordig de G die er een paar tonen onder zit, zong de Spaanse operalegende met evenveel intensiteit, bravoure en passie als voorheen.

 

 

Muziekvreugde

Wie op zijn 85e nog steeds het podium zoekt, de muziek instudeert en de orkestrepetities volbrengt moet wel enorm veel van muziek houden, anders doe je dat niet en ga je op je lauweren rusten – zo niet Plácido Domingo, de man die naar verluidt 147 rollen heeft gezongen, in het Italiaans, Frans, Duits, Engels, Spaans en Russisch, waaronder Otello, Cavaradossi, Don Carlos, Radamès, Faust, Werther, Don José, Lohengrin, Siegmund en zelfs Parsifal, waarmee hij, ver buiten zijn comfortabele zone, in 1992 in Bayreuth debuteerde. In Torre del Lago Puccini, het dorp dat naar de beroemde componist uit het nabijgelegen Lucca is vernoemd en waar hij jarenlang zijn buitenverblijf had, voelde de Spaanse zanger zich echter buitengewoon op zijn gemak. Op het podium aan het betoverende meer – het was Puccini’s grote wens dat zijn muziek daar nog eens zou worden uitgevoerd, hoewel hij het bij leven niet meer meemaakte – sprankelde en vonkte hij, met pretoogjes en vol energie, levenslust en vooral: muziekvreugde. En wie dacht dat de oude maestro het op zijn 85e wel rustig aan zou doen en zijn podiumgenote, de bekende Uruguayaans-Italiaanse sopraan María José Siri, het merendeel zou laten zingen, vergiste zich: het programma was overladen met bekende en minder bekende opera- en zarzuela-aria’s en duetten.

 

 

Passie, drama en gevoel

Begonnen werd weliswaar met een deel uit de Ouverture Carmen, maar daarna zong Domingo de baritonaria Nemico della patria uit Umberto Giordano’s Adriana Lecouvreur, het Scarpia-achtige inkijkje in de wanhopige ziel van een massamoordenaar, die het eigenlijk allemaal zo goed bedoelde – een prachtig hoogtepunt om mee te beginnen, en Domingo bracht alle nuances van de tekst zoals alleen hij dat kan: elk woord begrepen en doorleefd, en elke emotie waar die moest zijn. Natuurlijk hoorde je het verstrijken van de jaren, maar fier overeind bleef het meesterschap waarvoor ik hem mijn hele leven heb bewonderd: echt grote musici, en die zijn zeldzaam, laten niet alleen het hoe van de noten horen, maar vooral het waarom, en daarmee heeft Domingo zijn hele zingende leven miljoenen gegrepen. Die grote en bijna unieke gave is in hem nog springlevend, zoals ook bleek tijdens het aangrijpend gezongen No puede ser uit de zarzuela (de Spaanse variant van de operette) La tabernera del puerto van Pablo Sorozábal – wàt een passie, drama en gevoel legt de grote zanger nog steeds in zijn stem, ook bij omlaag getransponeerde aria’s: hij klonk als vanouds – heel knap.

 

 

Donkerder en iets fragieler

Natuurlijk ontbrak ook de vrolijke kant van het leven niet, zoals in een klein dansje met sopraan María José Siri in het hartstochtelijk gebrachte liefdesduet Me llamabas, Rafaeliyo? en de aria Dein ist mein ganzes Herz, natuurlijk een toontje lager gezet (of twee), maar met precies dezelfde schmelz, timing en passie van weleer – een groot musicus, nu alleen wat donkerder van kleur en iets fragieler: pachtig. Dirigent Marcello Rota had het Orchestra del Festival Puccini best wat meeslepender (en accurater) mogen leiden (het Funiculì funiculà was hopeloos langzaam), en ook María José Siri had wat glanzender mogen zijn, maar wat donderde het? We kwamen voor Domingo, die ook nog een prachtig Napolitaans Tu ca nun chiagne ten gehore bracht: ‘Jij huilt niet, maar je zorgt ervoor dat ik moet huilen. Waar ben je vannacht? Ik wil je zien!’ Domingo gaf alles wat hij in zich had, en dat is heel, heel veel. Het heerlijke Granadaen Non ti scordar di me sloten deze historische avond af, en de bijna 3.400 bezoekers klapten zich de handen blauw.

 

 

Slotscène vol lijken

Een avond eerder was ik getuige van Puccini’s La fanciulla del West, de ‘lastige’ opera die de componist zelf beschouwde als zijn beste – hij was zelf enorm trots op de enorme muzikale stappen die hij met dit werk had gezet en het bewijs dat hij geen genoegen nam met het herhalen van zijn oude succesformules (zoals La bohème of Tosca), maar dat hij kon ‘meekomen’ met de moderne, avant-gardistische muziek van de 20e eeuw. De Franse componist Maurice Ravel was zo onder de indruk van de orkestratie dat hij de partituur gebruikte als lesmateriaal voor zijn studenten, en Anton Webern, pionier van de atonale muziek, schreef na het horen van de opera aan zijn leraar Arnold Schönberg: ‘Een partituur die in elk opzicht origineel klinkt. Prachtig!’ Ook het einde is anders dan veel van zijn andere opera’s: geen slotscène vol lijken, maar een gelukkig einde waarin iedereen elkaar vergeeft en in de armen valt, even ongeloofwaardig als het slot van bijvoorbeeld Turandot, waarmee Puccini allerminst gelukkig was.

 

 

Antonio Fogliani

Begonnen werd echter met Crisantemi, Puccini’s aangrijpende treurlied voor strijkkwartet, nu door alle strijkers gespeeld, voor de die dag op jonge leeftijd overleden Italiaanse dirigent Antonio Fogliani, die in Torre del Lago La Bohème ruim een maand ervoor nog in première had gebracht. Na een behoorlijk energiek, bijna wild gedirigeerde ouverture door de Italiaanse dirigent Valerio Galli, met nogal hoekige, robotachtige bewegingen, zette zijn landgenoot Paolo Antognetti meteen een frisse, actieve Nick neer, lekker scherp en fel. De ‘reizende muzikant’ deed het ook prima (de Koreaanse bariton Min Kim) en de uit Brindisi afkomstige Claudio Sgura vertolkte een imposante, gemene en kwaadaardige Jack Rance, de sheriff die op meedogenloze wijze de liefde van Minnie nastreeft, steeds voluit en sterk acterend, daarbij gebruikmakend van zijn indrukwekkende lengte – zijn grote, ook hier Scarpia-achtige aria, was geweldig, pregnant en met steeds een rauw randje. De loodzware rol van Minnie werd gezongen door de gevierde Napolitaanse sopraan Anna Pirozzi, die, terwijl haar midden- en lage register mooi rond en warm klonken, in de hoogte nogal scherp uit de hoek kwam.

 

 

Plácido Domingo

Vanuit mijn positie kon ik Plácido Domingo, die de avond erna zijn grote gala zou geven en nu in de zaal zat (net als de avond ervoor bij La Bohème, trouwens) goed observeren en ik zag hem goedkeurend knikken tijdens de grote aria van de uit Civitavecchia afkomstige tenor Roberto Aronica, die een gloedvolle Dick Johnson neerzette: fel, indringend, maar overtuigend-romantisch in zijn liefde voor en compassie met de arme Minnie. Ik meende Domingo (hij zong de rol zelf vele malen) zelfs even zijn ogen te zien drogen met een zakdoek, en terecht: Aronica ontroerde, net als Pirozzi dat deed in haar slotaria – temidden van de schitterende decors van regisseur Angelo Bertini en dito belichting van Valerio Alfieri creëerde ze een hartverscheurend pleidooi voor de liefde en de vergeving, erg mooi en knap, na zoveel moeilijke, vaak taaie noten in de open lucht.

 

 


Warm en vochtig

Ook de Bohème, de avond ervoor, was aangrijpend, maar hoe kan het ook anders: Puccini is een meester in het uit het diepst van je ziel oprakelen van emoties, en ook al heb je de opera al 20 keer gezien: ze grijpt je altijd weer bij de keel en drukt je op de wonden van het menselijk tekort – altijd weer tranen, althans, bij mij. Ook hier was het toneelbeeld prachtig, en er werd heerlijk gezongen: Marcello, een lijfrol van de bekende Italiaanse bariton Massimo Cavalletti, klonk vol, rondborstig en goed hoorbaar (in de hoogte soms iets wankelend), Colline (Gianluca Buratto) was lekker diep en sonoor en Schaunard (Alberto Petricca) was uitstekend en speelde bovendien erg leuk, net als zijn collega-bohemiens. De Roemeense operatenor Stefan Pop zong Rodolfo innemend, lyrisch en met prachtig stemgeluid, maar is eigenlijk nèt te lyrisch voor dit enorme theater in de open lucht, waar het die avond overigens extreem warm en vochtig was – ik geef het je te doen. Hij speelde bovendien nogal macho-achtig, wat jammer was, want La Bohème gaat eigenlijk over de meest pure en intieme liefde: zijn geliefde Mimì mag niet ‘zomaar’ en verovering zijn. Ook zijn portamenti waren soms nèt te nonchalant en ongecontroleerd.

 

 

Emotionele sfeer

Mimì werd indrukwekkend vertolkt door de Calabrese sopraan Mariangela Sicilia, die met een enorme carrière bezig is, begrijpelijk: ze heeft een prachtig legato, een warme, donkere en edele sopraan en ze speelt heerlijk, alsof ze alles voor het eerst beleeft op het moment zelf: ze reageert meisjesachtig en schuchter op Rodolfo, en komt los in hun duet, waarin ze heel fraai met lange lijnen fraseert. De tweede akte, met prachtige klassieke decors van Luciano Ricceri, ziet er fantastisch uit en de aria van Musetta, gezongen door de in Amsterdam afgestudeerde Toscaanse sopraan Maria Novella Malfatti, klonk mooi en dramatisch, met hart en ziel gezongen, ondanks de enorm trage tempi, in de hele akte trouwens, van dirigent Sini, die het voor de rest prima deed – misschien dat ze daardoor wat te vroeg aankwam op een van de meest dramatische momenten van de opera: als de kunstenaars nog hun argeloze kwajongenstoneelstukje opvoeren, nog onwetend van de doodstijding van Musetta en de naderende, doodzieke Mimì. Gelukkig volgde er een beeldschone sterfscène, waarin de inmiddels overleden, zeer bekende filmregisseur Ettore Scola het publiek al bij de première in 2014 een groot cadeau had gegeven: hij bemoeide zich niet tot nauwelijks met de handeling, en liet de uitstekend acterende zangers bijna de vrije hand – wat volgde was een diep emotionele afscheidsscène waarin Mariangela Sicilia het stervende meisje huiveringwekkend mooi liet ontslapen. De emotie was heftig voelbaar, bij tegenspelers en publiek, maar ook bij enkele orkestleden, op wie ik goed zicht had, en die eerder al uit volle borst (maar zwijgend) meezongen en nu geroerd luisterden – het tekent de emotionele sfeer waarin Torre del Lago Giacomo Puccini jaar na jaar eer bewijst.

 

Peter Schlamilch

Foto’s: Giorgio Andreuccetti

 

 

PLacido Doningo & Peter Schlamilch

 

Meer info Bohème: puccinifestival.it

Meer info Fanciulla: puccinifestival.it

Meer info Domingo: puccinifestival.it

Tags: Giacomo Puccini, La Bohème, Orchestra del Festival Puccini, Leonardo Sini, Stefan Pop, Massimo Cavalletti, Gianluca Buratto, Alberto Petricca, Mariangela Sicilia, Maria Novella Malfatti, Ettore Scola, Gran Teatro all’aperto Giacomo Puccini, Torre del Lago Puccini, La Bohème, Valerio Galli, Anna Pirozzi, Claudio Sgura, Roberto Aronica, Paolo Antognetti, Angelo Bertini, Plácido Domingo, Gran Gala, Marcello Rota, María José Siri

You May Also Like

Hartverscheurende Traviata in de Scala van Milaan*

Warrige regie blok aan het been bij Fledermaus in Zürich*

Pianiste Reinild Mees op de bres voor het complete liedrepertoire van Joseph Marx

Wang realiseert huzarenstukje met beide Brahms-concerten op een avond