Pianist Vikingur Ólafsson overtuigt niet in Beethoven, KCO briljant in Prokofiev

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Santtu-Mathias Rouvali, m.m.v Vikingur Ólafsson, piano> Werken van: Beethoven: Vijfde pianoconcert en Prokofiev: Vijfde symfonie. Gehoord: Concertgebouw, Amsterdam, 26 augustus 2026

Door Willem Boone

 

Pianosensatie of hype?

Deze week noemde een presentator op radio 4 de IJslandse pianist Vikingur Ólafsson ‘een pianosensatie’.  Dat schept op zijn zachtst gezegd verwachtingen, waarbij je je af kan vragen wat iemand tot een ‘sensatie’ maakt. Dat is in de 21e eeuw anders dan zo’n vijftig jaar geleden: toen gebeurde dat voornamelijk door live-optredens en opnames. Tegenwoordig is een klassiek artiest ‘marketable’ om niet te zeggen ‘maakbaar’ door de social media die een imago creëren dat niet zelden op een hype lijkt. Iets soortgelijks is er met deze pianist aan de hand die door Deutsche Grammophon naar voren geschoven wordt als iets heel bijzonders en met miljoenen downloads een ware sterrenstatus bereikt lijkt te hebben. De beste manier om zo’n musicus te beoordelen is om hem of haar live te horen.

 

 

Ólafsson live

Gisteravond hoorde ik Ólafsson voor het eerst in een concertzaal en ik kan alleen maar vaststellen dat ik niet begrijp wat hem tot een ‘sensatie’ zou maken. Toegegeven, hij had het zich met een overbekend stuk als Beethovens Vijfde pianoconcert niet gemakkelijk gemaakt, want daarbij liggen de referenties (in deze zaal bij dit orkest en al helemaal op cd!) voor het oprapen. Bij zo’n orkest verwacht je echter wel wat en dan was de werkelijkheid wat mij betreft nogal ontnuchterend. Hij is uiteraard een vaardig pianist die in de meeste gevallen tegen de technische eisen van dit concert opgewassen was. Ik hoorde echter voornamelijk gladgestreken expressie en dat was al direct hoorbaar bij de inleidende cadens van de piano. Daar preludeert de pianist kort voor het orkest het overneemt met een lange inleiding. Het toucher van de deze musicus is vrij hard en kent weinig nuances, vooral in het pianissimo. Daarnaast komt zijn spel vaak niet organisch over: hij kan bepaalde passages eruit lichten zonder dat goed duidelijk wordt waarom. Dat werkt dan eerder als gezocht dan spontaan. Wat nog het meest opviel, was het ontbreken van een genuanceerde frasering en dynamiek, waarbij veel details (waar deze partituur rijk aan is!) in een sterkte klonken. Bij bepaalde heroïsche gedeeltes, zoals de octavenpassages na de grote fortissimo-akkoorden in het eerste deel had hij de neiging om te versnellen, wat afbreuk deed aan het majestueuze karakter van deze muziek. In de cadens klonk zijn spel weinig natuurlijk doordat hij met zijn pianissimo een diepgang probeerde te suggereren die er niet was. De beruchte dalende, chromatische loopjes van de piano aan het eind van het eerste deel klonken niet pianissimo en misten daardoor iedere vorm van mysterie.

 

 

Oppervlakkige uitstraling

Kon het eerste deel mij al niet overtuigen, dat gold in nog mindere mate voor het tweede en derde deel. Het orkest, dat in het eerste deel niet heel genuanceerd gespeeld had, zette het Adagio un poco mosso zacht in. Dit lijkt vaak op een gebed, maar de inzet van de piano sloot daar niet bij aan. De pianist koos voor een uiterst kleine dynamiek, waarbij zijn toon niet droeg. Hier wreekte zich dat hij niet in lange lijnen dacht en dat hij zelden of nooit legato speelt of zingt aan de piano. En ook hier ontbrak de magie doordat er zo weinig subtiele, dynamische details waren. Het Rondo allegro werd in een consequent hoog tempo, wat mij betreft te hoog tempo, gespeeld. Het gaf de muziek een uiterst oppervlakkige uitstraling en de solopartij wekte meer dan eens de indruk van iemand die buiten adem was. Ik blijf erbij: ik hoorde geen geniale herschepping, maar een artiest die vaak gekunsteld te werk ging.

 

 

Wat een verschil met de uitvoering van Krystian Zimerman met ditzelfde orkest en Riccardo Chailly, in 1989. Dat was zo’n concert waarbij alles klopte en de pianist tegelijk krachtig en subtiel was. De overbekende noten klonken als nieuw en het blijft eeuwig zonde dat dit destijds niet door de radio opgenomen is. Het publiek reageerde in elk geval laaiend enthousiast op de uitvoering van Ólafsson. Als toegift speelde hij zijn eigen arrangement van Bachs bekende Air uit de Derde orkestsuite. Prachtige muziek, die haar uitwerking bijna nooit mist, maar ook deze uitvoering van de IJslandse pianist kwam op mij onoprecht over, vooral door zijn weke pianissimo.

 

 

Prokofiev

Het KCO kreeg alle kans om te schitteren in de Vijfde symfonie van Prokofiev. Een interessant detail is dat deze in 1944 ontstond. Volgens de toelichting koos de componist voor een symfonie ‘waarin geen wanhoop doorklinkt. Integendeel: hij vertelt een verhaal over de kracht van de mens, hoop en waardigheid, zelfs in de donkerste tijden.’ Die ‘hoop’ was in elk geval nog niet te horen in het eerste deel, Andante. Daar was de muziek eerder wrang van karakter en sprak het thematische materiaal niet heel direct aan. Met name in dit eerste deel vroeg ik me af of deze componist wel zo’n goed ‘symfonicus’ was, in tegenstelling tot zijn balletmuziek. Rouvali leidde het orkest met drukke gebaren en met name de blazers klonken soms luid. Het flitsende tweede deel, Allegro moderato, was juist een voorbeeld van Prokofiev op zijn best: het had vaart en humor. Het KCO speelde hier briljant: alert en met soms brutaal kwetterende blazers. Het Adagio is een lang deel en het was bewonderenswaardig hoe de dirigent het orkest door dit complexe deel leidde. Aanvankelijk schrijdt de muziek behoedzaam voorwaarts, maar tegen het eind wordt deze steeds complexer. Het leek erop dat de componist het meest herkenbaar was in de ‘even’ delen, want het afsluitende Allegro giocoso bevatte de voor hem zo typerende lyriek. Dirigent en orkest hadden geen moeite met de ritmisch complexe coda, die soms een bijna machinaal overkwam.

Willem Boone

Tot en met 3 september is het KCO met dit programma op tournee naar Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk!

 

Info: www.concertgebouworkest

You May Also Like

Spierballen in plaats van Zwischentöne: Mahler 7 door het Gustav Mahler Jeugdorkest

Pianiste Yulianna Avdeeva is uitstekend pleitbezorgster voor Rachmaninoff

Brahms op zijn best met het Royal Danish Orchestra

Eric Lu: begaafd pianist met niet altijd even fraaie fortes