Pianiste Nino Gvetadze verzamelt in Naarden alleen goede musici om zich heen

Naarden International Piano Festival. Dame Imogen Cooper, piano (Schubert: Impromptus opus 90 en 142). Gehoord: Bij Andreas, Naarden, 16 april 2026.
Door Willem Boone
Imogen Cooper
Helaas moest ik het eerste concert door artistiek leider Nino Gvetadze missen, maar de overige dagen was ik aanwezig bij de zevende editie van dit zeer sympathieke festival. Zij heeft een gelukkige hand in het om zich heen verzamelen van goede musici, want behalve de meesters waren ook de jonge talenten stuk voor stuk van hoog niveau. Op donderdagavond trad voor de derde keer Dame Imogen Cooper aan. Helaas ook voor de laatste keer als uitvoerend pianiste, want zij is met haar afscheidstournee bezig. Dat deed zij met de componist met wie zij waarschijnlijk het vaakst geassocieerd wordt: Schubert, van wie zij de complete Impromptus speelde. Deze behoren tot het meest geliefde repertoire voor piano solo, al hoor je ze zelden integraal tijdens hetzelfde concert. Dat zij decennia lang met deze muziek geleefd heeft, hoorde je al snel. De Chileense pianist Claudio Arrau zei ooit dat hij Schubert ‘de moeilijkste componist’ vond om uit te voeren. Als je erover nadenkt, is dat te begrijpen. Het is muziek die vaak op het eerste gezicht ‘argeloos’, ‘hemels’ en ‘zangerig’ klinkt, om maar een paar clichés te noemen. Daarin schuilt echter het gevaar om haar te eenzijdig uit te voeren en daardoor voorbij te gaan aan de schaduwzijden die er ook in besloten liggen. Zijn muziek kan ook dramatisch van karakter zijn en die kant schuwde Cooper niet. Zij zette de Impromptu opus 90 nr 1 fors in en liet zeker in de linkerhand een fraai legato horen. Haar tempo was voor een ‘allegro molto moderato’ aan de vlotte kant, maar het deed evenwichtig aan. De Impromptu opus 90 nr 2 die juist vaak snel gespeeld wordt, nam zij in een evenwichtig, gangbaar tempo. In nr 3 liet ze de zanglijnen mooi uitkomen en maakte ze nog eens duidelijk waar ze altijd voor gestaan heeft: eerlijk, stijlvol spel, zonder overdrijving. Zij laat de muziek altijd voor zich spreken en het was verheugend om te merken dat zij op haar enigszins gevorderde leeftijd nog steeds in het bezit van al haar pianistische vermogens is. Daarnaast heeft zij haar repertoire altijd wijs gekozen en geen tijd verdaan met muziek waar ze minder affiniteit mee had. In nr 4 viel nogmaals haar vocale benadering van de muziek op, wat bij Schubert natuurlijk niet verbaast. Ze speelde het inderdaad als ‘allegretto’ en de overgangen verliepen organisch.

Bij de Impromptus opus 142 viel bij nr 1 wederom op dat ze het ‘allegro moderato’ tamelijk snel nam, maar het kwam de muziek ten goede, omdat zij dit consequent volhield. Haar spel was helder en zij liet na de eerste minuten haar beide handen fraai met elkaar ‘dialogeren’. Nr 2 zette ze bijna bedeesd in, waardoor de muziek iets argeloos kreeg. Ook hier nam ze steeds de tijd om op de piano te zingen. In nr 3, thema met vijf variaties, nam ze de tijd om te fraseren. De overgang naar de mineur-variatie benadrukte ze niet al te zeer, in tegenstelling tot sommige collega’s. En nr 4 werd onder haar handen weer dat kostelijke, huppelende ‘geval’: een echt allegro scherzando. Na het slotapplaus concludeerde Cooper dat ze ‘geen andere keuze had dan bij Schubert te blijven.’ Ze speelde het allegretto in c als toegift. Al luisterend kon je je inderdaad voorstellen wat Arrau bedoelde met ‘de moeilijkste componist om te spelen.’ Het lijkt in dit geval weer om ‘argeloze’ muziek te gaan, waarbij je je steeds afvraagt of er niet meer achter schuilgaat…

Jonge talenten
Paul Salard, piano (Rachmaninoff: Variaties op een thema van Chopin opus 22) en Illia Fialko, piano (Schumann: Carnaval opus 9). Gehoord: Bij Andreas, Naarden, 17 april 2026
Helaas was ik door tijdgebrek pas tegen 8 uur aanwezig, zodat ik de optredens van Ana Bakradze, Alberto Ferro en Sandro Nebieridze moest missen. Als eerste hoorde ik Paul Salard, die vorig jaar op overtuigende wijze het concours van de YPF won, met onder andere een onweerstaanbare uitvoering van Beethovens Eerste Pianoconcert.

Hij koos nu voor de vrij onbekende Variaties over een thema van Chopin van Rachmaninoff. Deze zijn minder bekend dan zijn Variaties over een thema van Corelli, die voor de pauze klonken. In een interview met het blad ‘Pianist’ zei Salard over opus 22 dat het tegelijk ‘monumentaal, intiem en diep menselijk’ was. Precies dat liet hij in zijn vertolking horen: in het thema klonken er al nuances qua dynamiek, zoals een drievoudig pianissimo. Deze variaties zijn zeer ‘notenrijk’ en je vraagt je soms af hoe iemand dit allemaal in zijn hoofd krijgt en er samenhang in kan ontdekken. Dat ging de jonge Salard uitstekend af: hij wisselde kapitale fortes (waarbij hij overigens nooit te hard speelde) af met passages die bijna breekbaar klonken. Hij toonde een gevoel van de bij Rachmaninoff altijd aanwezige sterke polyfonie. Het deed naar meer door deze talentvolle musicus verlangen.

Daarna speelde de Oekraïense pianist Illia Fialko Schumanns Carnaval. Hij zette direct met verve in en toonde veel gevoel voor Schumanns snel wisselende stemmingen en het aartsmoeilijke passagewerk. Ook in dit geval vond ik het bijzonder om de hand van zijn leermeester Naum Grubert te horen in de manier van fraseren en vooral de bassen. Zijn spel straalde rust uit en bleef ook in de moeilijkste gedeeltes, zoals Paganini, geconcentreerd. De afsluitende Marche contre les Philistins zette hij in rap tempo in, waarbij hij toch kans zag te versnellen. Als geheel was zijn visie opmerkelijk coherent. Het was interessant om te lezen dat hij in het najaar te zien zal zijn in een film over de legendarische pianist Youri Egorov, waarbij Fialko als stand-in voor Egorov zal fungeren. Eigenlijk was Carnaval een soort van hommage aan de Russische pianist, die dit stuk vele malen weergaloos speelde.

Ravel , Chopin en Mozart
Julien Libeer, piano. Werken van: Ravel (Ménuet sur le nom de Haydn, delen uit Miroirs), Mozart (Rondo in a KV 511, Sonate nr 4 in es KV 242), Chopin (Nocturnes opus 9/1, 9/2, 62/1, 62/2) en Liszt (Fantasia quasi une sonata ‘Après une lecture du Dante). Gehoord : Bij Andreas, Naarden, 18 april 2026
De Belgische pianist Julien Libeer wist met Ménuet sur le nom de Haydn direct de juiste toon te treffen en de juiste klank voor Ravel neer te zetten. Hij verbond dit korte, intieme opus zonder onderbreking met een van Mozarts mooiste stukken diens Rondo in a KV 511. Ook hier trof hij de juiste toon en vond hij het evenwicht tussen te fragiel en te fors. Dit was een bijzondere prestatie, want Mozart op een Steinway blijft een ‘evenwichtsnummer’. Hij vervolgde met twee Nocturnes opus 9 van Chopin. Wat me daarbij zeer bekoorde was zijn natuurlijk aandoende rubato en de vrije beweging. De mate van rubato blijft bij veel pianisten een punt van discussie, maar je vroeg je nu af waarom dat eigenlijk zo is. Zijn tempi waren niet langzaam of slepend, hoewel nu juist voor mijn gevoel de Nocturnes van Chopin dat wel kunnen hebben. Ten slotte speelde hij voor de pauze drie delen uit de Miroirs van Ravel. Dat deed hij op knappe wijze, zo schilderde hij in Une barque sur l’océan met kleuren en riep zijn spel herinneringen aan ‘water’ op. La vallée des cloches was kalm van karakter en klonk transparant.

Na de pauze klonk eerst Mozarts vroege sonate nr 4 wederom met eenvoud. Bij de herhalingen speelde hij omspelende figuraties, soms misschien iets te veel, maar ik zou me kunnen voorstellen dat Mozart dit heel interessant gevonden had.. Hij raffelde gelukkig het afsluitende Presto niet af. Daarna speelde hij de twee nocturnes opus 62 van Chopin, twee voorbeelden van zijn onnavolgbare ‘late’ stijl. Ook hier imponeerden zijn rubato, tempo, legato en de maner waarop hij in de Nocturne opus 62/2 de modulaties liet horen. Libeer kondigde in een interview aan alle Nocturnes te gaan opnemen en hoewel daar al zeer veel opnames van bestaan, ben ik toch heel benieuwd naar het resultaat. Als laatste klonk in dit overwegend contemplatieve programma een duivelse afsluiter: Liszt’s Dante-sonate. Libeer speelde dit indrukwekkend en liet horen dat hij ook demonische muziek overtuigend kan spelen. Ik vroeg me alleen af of deze vleugel niet wat te klein is voor de klankuitbarstingen die in dit stuk voorkomen. Deze kwamen niet helemaal tot hun recht, terwijl het lyrische middendeel juist fris klonk. Als toegift na ‘al dit geweld’ (aldus de pianist) speelde hij Mozarts vredige adagio voor glasharmonica, waardoor deze mooie avond alsnog contemplatief eindigde.
Willem Boone

Info: