Van Baerle Trio en Isabelle van Keulen spelen kamermuziek in optima forma

Van Baerle Trio en Isabelle van Keulen, altviool. Werken van: Mozart (Pianokwartet nr 2 in es KV 493), Dohnányi (Serenade voor strijktrio opus 10) en Schumann (Pianokwartet in es opus 47). Gehoord: 27 oktober 2026, Muziekgebouw Eindhoven.
Door Willem Boone
Zo speel je Mozart!
Het genre ‘pianokwartet’ hoor je niet vaak tijdens kamermuziekconcerten. Dat heeft te maken met de bezetting. Slechts in enkele gevallen zijn er vaste ensembles zoals het Fauré quartet, maar meestal gaat het om een versterkt pianotrio of om vier ‘losse’ musici die voor de gelegenheid samen optreden. Dat laatste gebeurt nogal eens tijdens muziekfestivals met soms wisselend resultaat. Het leidt dan tot spontaan, maar niet altijd even hecht samenspel, omdat simpelweg vaak de tijd ontbreekt om grondig te repeteren. Dat is jammer, want onder de pianokwartetten bevinden zich een aantal schitterende stukken die je toch al niet zo vaak hoort. Als de kans zich dan voordoet, wil je ze graag ook zo mooi mogelijk horen. Het Van Baerle Trio is natuurlijk wel degelijk een hecht ensemble dat al geruime tijd optreedt. Altiste Isabelle van Keulen voegde zich moeiteloos in het geheel en zo vormde het viertal een opmerkelijk homogeen ensemble. Dat viel al direct bij de eerste noten van Mozarts Pianokwartet nr 2 in es KV 493 op. Die homogeniteit was vooral hoorbaar bij de strijkers, terwijl pianist Hannes Minnaar hun bijdragen beantwoordde met parelend pianospel dat nooit het geheel domineerde. Het was bijzonder om te zien hoe Van Keulen net zo makkelijk altviool als viool speelt. Het moet voor haar een aparte ervaring zijn om stukken die ze als violiste door en door kent op een andere manier (en een ander instrument!) te benaderen. Zij houdt van de altviool en dat was te horen in haar warme spel dat zorgde voor ‘donkerheid’ in de klank van het ensemble. In het Larghetto voerden strijkers en piano een echte dialoog. Halverwege het tweede deel was het mooi om te horen en zien hoe de strijkers elkaars motieven overnamen. Ook hier speelden de vier musici in een ideaal tempo, zodat alles natuurlijk klonk. Het derde deel, allegretto, werd vederlicht ingezet. De piano van Minnaar was concertant, maar ondersteunde waar nodig de strijkers. Het versterkte bij mij na afloop het gevoel: ‘Zo speel je Mozart!’ Alles mag dan ‘vanzelfsprekend’ lijken, maar je moet er niet aan denken hoe lang musici moeten repeteren voor het zover is….

Dohnányi
De deze avond uitgevoerde pianokwartetten van Mozart en Schumann mogen dan niet zo vaak in een concertzaal tot klinken komen, ze zijn in elk geval niet onbekend. Heel anders is het met de Serenade voor strijktrio opus 10 van de Hongaarse componist Dohnányi gesteld. Ik moet zeggen dat ik het genre ‘strijktrio’ vaak wat saai vind: ik mis de vierde strijker die het genre ‘strijkkwartet’ zo onweerstaanbaar maakt. Ditmaal had ik dat gevoel totaal niet en dat lag aan de muziek en zeker aan de uitvoering. De drie strijkers klonken direct bij de inzet van de Marcia allegro heel anders dan bij Mozart. Ze speelden voluit en vooral cellist Gideon den Herder, die bij Mozart discreet aanwezig was, kreeg de kans om zijn instrument te laten ‘horen’. In de Romanza was de solo van Van Keulen intens en nostalgisch. Zeker in de snelle delen ging het om ‘gepeperde’ muziek die haar afkomst niet verraadde. Het was knap dat drie musici die toch niet heel vaak samenspelen ook hier zo homogeen van opvatting waren. Ik bedacht me dat deze muziek ‘leuk’ was om te spelen, wat de uitdaging waarschijnlijk nog ‘lonender’ maakt. Het Tema con variazioni kwam tot stand met veel passie en ook het afsluitende Rondo allegro vivace werd met veel pit gebracht. Al met al een buitengewoon aardig stuk dat vaker op concertprogramma’s zou mogen staan!

Schumann
Daarna was het interessant om te zien hoe de vier musici het Pianokwartet van Schumann weer anders benaderden dan het daarvoor gespeelde Tweede pianokwartet van Mozart. Ook hier maakten ze een duidelijk onderscheid in klank die bij deze door en door romantische muziek vol was. Het Allegro ma non troppo werd direct met overgave gebracht. Ook hier was de balans uitstekend. Ik herinner me dat Martha Argerich ooit over de pianopartij zei dat deze ‘het moeilijkst was wat ze ooit gespeeld had.’ Zo’n uitspraak uit haar mond zegt wel iets en al luisterend vroeg ik me af of dit zou kunnen kloppen. De pianist heeft vrijwel continu ‘iets te doen’, maar of zijn partij daadwerkelijk zo moeilijk is was aan het spel van Minnaar niet te horen. In de toelichting stond te lezen dat Schumann ten tijde van het ontstaan van dit kwartet (1842) werd gekweld door depressies en slapeloze nachten. Er stond ook dat hij tegelijkertijd werkte aan het Pianokwintet en dat hij aan het eind van dat jaar ‘aardig in de war was.’ Toch is dat aan de muziek niet te horen, integendeel, deze is zeer geïnspireerd en coherent. De ideeën stromen en net als in het Pianokwintet roept de muziek een gelukzalige indruk op. Het doet denken aan het jaar 1840 waarin Schumann veel inspiratie kreeg om liederen te schrijven die met gemak uit zijn pen vloeiden. Het Scherzo molto vivace had spankracht, maar werd niet te snel gespeeld. Het Andante cantabile vormde een prachtig rustpunt. De solo’s van Den Herder en Milstein werden afgewisseld met de altviool van Van Keulen als verbindende factor. In de afsluitende Finale vivace pakten de vier nog een keer gezamenlijk en uiterst vurig uit.

Gewoon geluk
Na het applaus zei Milstein dat door de medewerking van Isabelle van Keulen ‘elke seconde gewoon geluk betekende.’ En ze had gelijk blek ook uit de toegift: ‘Een van de allermooiste langzame delen voor deze combinatie’: het langzame deel uit Brahms’ Derde pianokwartet. Inderdaad, het was ronduit prachtig en paste goed bij de toversfeer van het Andante cantabile uit Schumanns Pianokwartet. Zou het geen idee zijn als deze combinatie zich over de drie pianokwartetten van Brahms en het Eerste pianokwartet van Fauré buigt? Deze prachtige avond smaakte zeker naar meer!
Willem Boone

Info: