Jeths’ nieuwe pianoconcert schept fascinerende klanksferen

Residentie Orkest o.l.v. Antony Hermus. Met Ellen Corver, piano. Willem Jeths – Pianoconcert nr. 3 ‘Scorching Passions’ (wereldpremière), Igor Stravinsky – Le Sacre du printemps. Gehoord: 3 mei 2026, Amare, Grote zaal, Den Haag
Door Peter Schlamilch
Het nieuwe pianoconcert van Willem Jeths, bijna dertig jaar na zijn Tweede, maakt indruk. Nog dagen later herinner je je het schitterende, verstilde einde met die eenzame pianonoten die je met de neus op de feiten lijken te willen drukken: van de Scorching passions (verzengende passies), zoals de ondertitel van het werk luidt, blijft misschien niets over dan de melancholische herinnering van wat ooit geweest is, de verlatenheid en de leegte, en vooral die eenzame stilte, uitgedrukt in maar een paar nootjes van de pianist, verlaten door het orkest – heel mooi.
Zoektocht naar de menselijke passie
Het was ook eigenlijk allemaal al aangekondigd in de inleiding (Presagio, voorgevoel), in die eerste maten met die dalende kleine terts, bijna als een hommage aan diezelfde tertsbeweging uit Ravels Linkerhandconcert. Een onbewuste hommage dan toch, want ‘ik heb die er niet in gelegd’ vertelde me de componist na afloop. En zo hoort het ook: goede muziek staat op de schouders van vele voorgangers – Jeths zelf noemde Puccini – zonder die voorgangers ooit te kopiëren, maar juist door nieuwe wegen in te slaan. En dat laatste doet Willem Jeths volop, als is het misschien niet zo radicaal als al die experimentele componisten voor hem of als de allerstrengste musicologen verlangen: Jeths brengt de muziekgeschiedenis vooruit zonder haar wortels te ontkennen of los te laten – mijns inziens de enig juiste en mogelijke wijze zonder dat je het publiek kwijtraakt. En dat publiek was er volop in het uitverkochte (en voor de gelegenheid stemmig uitgelichte) Amare in Den Haag, en het was laaiend enthousiast na afloop. Terecht, want Scorching passions is een uiterst boeiende zoektocht naar de menselijke passie.

Prachtige kleuren
Hoewel de componist in zijn openingswoord Alecto als inspiratiebron noemde, begon het werk eerder als het langzaam ontwaken van een enorme reus, dreigend, zwaar en, eenmaal zich oprichtende, machtig en indrukwekkend. Alecto is een van de drie furiën, de goddelijke Griekse zusters die zware misdaden tot in de oneindigheid straffen, zoals het verraad binnen de familie – denk aan Orestes die zijn moeder doodde (overigens niet geheel onterecht, voor wie hun geschiedenis kent). De Grieken geloofden dat zij de boosdoeners opjaagt en hen een diep schuldgevoel bezorgt en ze wordt in de mythologie vaak afgebeeld als een angstaanjagende verschijning met gifslangen in het haar (net als Medusa), die niet alleen decoratief zijn: ze worden beschreven als wezens die de lucht ‘proeven’ op zoek naar de geur van schuld. Brrr…
Zo angstaanjagend werd Jeths’ werk nergens, want afgezien van inderdaad enkele grootse, vernietigende orkest-tutti was Scorching passions een verrassend lucide en helder werk – ‘mediterraan’ hoorde ik het iemand noemen. Het werk komt, als gezegd, bijna dromerig op gang, sfeervol en met veel prachtige kleuren, zoals donkere pizzicati gemengd met gestopte tuba en grote trom: huiveringwekkend, net als de lage piccolo en de gestopte trompet. Dat ‘zinderende passies’ naar eigen zeggen van de componist ook tot de dood kunnen leiden werd ook duidelijk: waar Alecto echt ‘furieus’ wordt schroomt Jeths er niet voor om, heel effectief, tot tweemaal toe een keihard scheidsrechtersfluitje in te zetten in een felle tutti-omgeving – gillende angst en woede konden niet beter verbeeld worden.

Hoge lyrische kwaliteit
Gelukkig wordt Jeths’ muziek nooit echt atonaal, want die heilloze, doodlopende weg hebben de meeste componisten nu wel verlaten. Hooguit schuren zich twee accoorden in verwijde tonaliteit langs elkaar heen, maar tooncentra blijven altijd, al is het soms in de verte, aan de horizon. Dergelijke schrijnende passages worden echter heel vaak omgeven door (of zelfs gecombineerd met) zangerige passages met lange, prachtige lijnen van hoge lyrische kwaliteit (tijd voor een nieuwe opera?) – inderdaad eerder met Frans dan Italiaans coloriet. Het evenwicht tussen de verschillende klanksferen lukt uitstekend, hoewel in het derde deel – de menselijke liefde – in het Tristan-achtige verlangen (echo’s van het beroemde Tristan-akkoord komen soms voorbij), naast het zoet ook het bitter misschien nog meer uitgelicht had kunnen worden. Een andere knappe techniek is dat in de verwijd-tonale passases de overige muzikale parameters, zoals lyriek, metrum en klankkleur duidelijk aangehouden worden, zodat de luisteraar nergens verzuipt maar muzikaal altijd houvast heeft. Minder houvast bieden de drie verschillende delen, die zó vloeiend in elkaar overlopen dat ze niet als zodanig herkenbaar zijn, en hun respectievelijke typen liefde dus ook niet.
Dirigent Antony Hermus leidde het Residentie Orkest degelijk en overzichtelijk, en pianiste Ellen Corver speelde de vele mooie lijnen voortreffelijk, en ook weet ze Jeths’ poëtische kleurenwereld goed te vertolken, hoewel ik de indruk had dat het instrument soms wat onwillig was. Ook haar snelle, metrisch-ritmische passages, waar er overigens verrassend weinig van waren gezien de Alecto-achtige connotaties, verliepen vlekkeloos – de Griekse furie heeft ook haar mildere momenten, kennelijk. Gelukkig maar, want zo bewijst dit prachtige pianoconcert zich als een stapje voorwaarts in de mogelijk juiste richting van de muziekgeschiedenis.

Extatische uitvoering
Ook in Stravinsky’s Le Sacre du printemps leidde Hermus duidelijk maar soms te schools, omdat hier en daar wat duiding en visie ontbraken – maar ga er maar aanstaan in één programma een nieuw werk én de Sacre spelen (een dag later werd dit programma bovendien nog aangevuld met best lastige werken van John Adams en Bram Kortekaas). Toch is het cruciaal om in een zo bekend, belangrijk en vooral veel opgenomen werk toch iets ‘eigens’ te leggen, en daarvoor was bijvoorbeeld de mooi gespeelde inleiding iets te statisch en hadden de beroemde pesante-accoorden in de Dans van de jonge meisjes best was meer pesante (zwaar) gemogen (opmerkelijk overigens dat Stravinsky in al deze passages de eerste of de tweede violen laat zwijgen, maar wie de partituur goed analyseert ziet de reden: de componist wilde geen andere noten verdubbelen dan de grondtoon). Een prima Sacre, maar niet de extatische uitvoering die ooit de muziekgeschiedenis veranderde.

Peter Schlamilch
foto’s: Alex Heuvink,
Meer info: residentieorkest.nl