Onder de pianisten heb je ‘Sokolov en de anderen’

Grote Pianisten. Grigory Sokolov. Werken van: Beethoven (Sonate nr 4 in es opus 7 en 6 bagatellen opus 126) en Schubert (Sonate nr 21 in bes D 960). Gehoord: Tivoli Vredenburg, 1 juni 2026 en Concertgebouw Amsterdam, 7 juni 2026
Door Willem Boone
Er zijn van die ‘monstres sacrés’ die op zich staan en binnen de muziekwereld een volstrekt unieke plaats innemen. Zo had je ‘Callas en de anderen’, ‘Heifetz en de anderen’, ‘Rostropovitsj en de anderen’, binnen de pianisten ‘Horowitz en de anderen’, ‘Richter en de anderen’ en ook ‘Sokolov en de anderen.’ Je mag het op details niet met hem eens zijn en vraagtekens bij zijn opvattingen zetten, maar wat overheerst na ieder recital, is ‘ontzag’. Voor wat hij kan en voor zijn totale toewijding aan de muziek. Hij lijkt alleen daarvoor te leven en als hij niet optreedt, studeert hij of is hij onderweg.

Geen twee keer hetzelfde
Ik had de afgelopen week het voorrecht hem twee keer in hetzelfde recitalprogramma te horen. Hoewel zijn visie op de stukken die hij speelt consequent is, waren er toch kleine verschillen te horen. In het Utrechtse Tivoli Vredenburg trad hij in de Hertz-zaal op, een plezierige zaal met dito akoestiek die zich goed leent voor kamermuziek. Toch klonk vooral zijn uitvoering van de Sonate nr 4 in es opus 7, een vroege sonate die wat mij betreft niet tot de meest aansprekende van de 32 die Beethoven schreef behoort, bij vlagen erg ‘Russisch’ met zeer krachtige akkoorden. Het tempo van het eerste deel, Allegro molto en con brio, had een fractie sneller gemogen en leek wat energie te ontberen. Er stond echter veel tegenover: zoals het legato- en cantabilespel van deze pianist. En de weerbarstige kant die Beethoven in zich heeft, trof de Rus heel goed.
In Amsterdam klonk zijn spel door de meer ruimtelijke akoestiek van de grote zaal minder massief, nog steeds zeer krachtig en ook hier weer klonk een ‘granieten kant’ van deze componist. In laatstgenoemde zaal was een publiek aanwezig dat op de vreemdste momenten klapte: na het eerste en tweede deel van de sonate en ook na de tweede van de 6 Bagatellen opus 126. De pianist bleef er overigens stoïcijns onder en ging onverstoorbaar door. Sokolov kan een hele wereld in een enkel akkoord leggen, dat was goed hoorbaar aan het begin van het Largo con gran espressione. Zijn klank was diep, menselijk en de staccato’s in de linkerhand speelde hij zeer genuanceerd. Het derde deel, allegro, was ongewoon krachtig, terwijl in het vierde deel, Rondo poco allegretto e grazioso de felle accenten in de linkerhand opvielen. De ‘woedende’ episode in dit deel speelde hij in een tamelijk nadrukkelijk tempo. Het was een ander moment waarop zijn vertolking absoluut respect afdwong, maar ook enigszins ‘intimiderend’ overkwam.

Bagatellen
In beide gevallen speelde hij zonder onderbreking na de sonate de 6 Bagatellen opus 126. Een van de punten waarover je met deze pianist van mening kunt ‘verschillen’, is de keuze van zijn tempi. Soms is die nadrukkelijk langzaam. Dat is niet iets van de laatste jaren en heeft ook niets met teruglopende technische vaardigheden te maken. Integendeel, hij kon nog steeds alles realiseren op de vleugel en alles klinkt ook precies zoals hij het bedacht heeft. Dat was zo’n dertig jaar geleden al zo, toen hij pianosonates van Haydn voor mijn gevoel een fractie te langzaam speelde. En dat gebeurde door de jaren heen met tal van ander repertoire: de vier impromptu’s van Chopin, diverse pianosonates van Mozart, de Eroicavariaties van Beethoven. De uitkomst is steeds ontzagwekkend en soms versterkt het de uitdrukkingskracht van de muziek, zoals bij het Precipitato uit de 7e sonate van Prokofiev. Ook nu had ik dat gevoel bij de tweede bagatelle die voor mijn gevoel niet als een ‘allegro’ klonk en zeker bij de vierde bagatelledie in plaats van ‘presto’ hoogstens op een allegretto leek. Het vreemde is dat hij de daaropvolgende Vijfde bagatellein het juiste tempo speelde. Hetzelfde gold voor de zesde bagatelle, waar hij binnen de bescheiden afmetingen van dit stuk de spanning opbouwde.

Voortvarende Schubert
Een bepaalde eigenzinnigheid is deze meester dus niet vreemd. Het merkwaardige is dat hij in stukken, waarbij je zou kunnen verwachten dat hij juist heel langzaam zou spelen, mogelijk met als intentie om diepgang te suggereren, dat niet deed en ze in gangbare tempi uitvoerde. Dat gebeurde een paar jaar geleden met de 3 Intermezzo’s opus 117 van Brahms en nu ook met het eerste deel van de Sonate in bes D 960, molto moderato, van Schubert. Sommige pianisten spelen dit deel extreem langzaam, waarbij Richter het bekendste voorbeeld geworden is (al speelde hij het zo hypnotisch dat je je alsnog gewonnen moet geven!). Sokolov deed dat niet en zijn tempo was soms bijna ‘voortvarend’, maar dat kwam de muziek zeker ten goede. Zijn was zangerig, zijn toon had présence en zijn linkerhandtrillers waren zeer krachtig. Bewonderenswaardig waren de vele gradaties in zijn toucher en in bepaalde, soms wat bruuske details is hij consequent. In het ontroerende tweede deel, andante sostenuto, groef hij diep en was zijn lezing bijna onaards. Bij beide recitals vond ik zijn spel in het derde deel, Scherzo allegro vivace con delicatezza, wat stram qua metrum, met felle accenten in het trio. In Amsterdam waren, evenals in Beethoven, een paar misslagen te horen. Niet dat dat erg was, maar het is voor deze pianist ongebruikelijk. Het bewijst ondanks alles dat ook hij menselijk is. Het vierde deel, allegro ma non troppo, kende een paar wat ‘Russische’ uitbarstingen, maar was verder fraai door de lange legatolijnen en het gefocuste spel.

Toegiften
De recitals van Sokolov zijn in zoverre ‘voorspelbaar’ dat je weet dat er aan het eind vrijwel altijd zes toegiften volgen. In Utrecht hoorde ik deze alle 6, in Amsterdam de eerste 3. Bij het eerste recital speelde hij een paar substantiële toegiften, zoals de ballade opus 10 nr 2 en de rapsodie opus 79 nr 2 van Brahms. Zeker in laatstgenoemd werk was de manier waarop hij zich op de toetsen stortte (‘attaque de son’ zoals men in het Frans zegt) indrukwekkend. Zijn Brahms bleef vol en imposant klinken, zonder grof te worden. Verder speelde hij drie Mazurka’s van Chopin en als laatste de Prelude in b van Bach/Siloti die Gilels, een van Sokolovs idolen, ook zo onaards mooi speelde. In Amsterdam waren de eerste drie toegiften alle van Brahms: de ballades opus 10 nr 2 en 3 en de rapsodie opus 79 nr 2, alle drie indrukwekkend uitgevoerd met veel gevoel voor de warmte die Brahms’ muziek kenmerkt.
Willem Boone
Info:
www.concertgebouw.nl
https://www.tivolivredenburg.nl/agenda