KCO: Flamboyante Beethoven na een vlakke Mozart

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Minasi. Met Mao Fujita, piano. Emilie Mayer – Faust Overture, Wolfgang Amadeus Mozart – Pianoconcert nr. 25 in C, Ludwig van Beethoven – Symfonie nr. 5 in c. Gehoord: 22 oktober 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*

Door Peter Schlamilch

 

Ik kende haar eerlijk gezegd niet, de Duitse componiste Emilie Mayer (1812-1883), de ‘eerste vrouwelijke beroepscomponist van Duitsland’ – bij leven bijzonder succesvol, maar na haar dood snel in de vergetelheid geraakt. Volgens haar biografie was ze Europas größte Komponistin, de grootste vrouwelijke componist van Europa dus, en na haar Faust Overture te hebben gehoord denk ik dat dat best eens waar zou kunnen zijn.

 

 

Achter de feiten aan

Mayer schreef een ‘indrukwekkend en gevarieerd oeuvre, bestaande uit symfonieën, concertouvertures, strijkkwartetten en andere kamermuziek, koorwerken, liederen en het Singspiel Die Fischerin. Haar muziek werd uitgevoerd door gerenommeerde orkesten en ensembles in alle belangrijke Duitse cultuurcentra en in steden als Brussel, Wenen en Praag’, en rekent hiermee misschien af met de verhalen dat vrouwen vroeger om hun sexe gediscrimineerd werden: door haar muzikale kwaliteiten werd ze juist veel gespeeld, en geëerd door de componist Carl Loewe, de destijds befaamde dichter Ludwig Rellstab en door koning Friedrich Wilhelm IV. Ook werd ze erelid van de Philharmonische Gesellschaft van München en medevoorzitter van de Berlijnse Opera-academie. En inderdaad, ook ik vond haar noten beduidend beter dan bijvoorbeeld die van de alom geprezen Clara Schumann, die ongeveer gelijktijdig leefde, en nam me direct voor haar beter te gaan bestuderen. Wel moet gezegd worden dat de mooie, vurige Faust Overture een volstrekt anachronisme was in het jaar van componeren, 1880, vier jaar na de première van Wagners Ring en Brahms’ Eerste symfonie. Geen spoor van al die ontwikkelingen in Mayers muziek, die zich op het eerste gehoor eerder als een late Beethoven of vroege Mendelssohn laat kwalificeren, 50 jaar eerder dus – Mayer schreef prachtig, maar wel een halve eeuw achter de feiten aan.

 

 

Vuur en vlam

Geen wonder dat Mayer in haar eigen tijd de ‘vrouwelijke Beethoven’ werd genoemd, en de Faust Overture paste daarom toch perfect in het programma met Mozart en Beethoven, hoewel het leek of het orkest niet erg gegrepen werd door haar muziek. Dirigent Riccardo Minasi zwaaide en zwierde dat het een aard had, maar genereerde daarbij toch heel weinig merkbaar enthousiasme bij zijn musici: er werd prima gespeeld maar het werd nergens heftig of verrassend, laat staan spannend – dit stuk verdiende echt meer vuur en vlam. Ook Mozarts Pianoconcert nr. 25 in C stond nergens in brand, en hoewel het overwegend majestueuze en misschien wat afstandelijke karakter van het werk dat wellicht rechtvaardigt, zit het toch ook boordevol onderhuidse geintjes en plagerijtjes, die pianist Mao Fujita echter door zijn uiterst poëtische, maar te gelijkmatige toucher vrijwel ongehoord liet. Daardoor ontstond een weliswaar briljante, vlekkeloze maar ook wat suikerzoete interpretatie, die vaak natuurlijk heerlijk is, maar vaker aangevuld zou kunnen worden met meer gewicht en diepgang in de toetsen en kern in de toon, want dat was mijn grootste probleem: zijn spel wordt vaak zo etherisch (heel knap!) dat het hart van Mozarts muziek soms dreigt op te houden met kloppen. Minasi en het orkest hadden zich compleet aan Fujita’s lezing aangepast (heel loyaal) en speelden op kousenvoeten, wat eerder een gezapig dan een briljant resultaat opleverde, net zoals ik vorig jaar bemerkte bij zijn Rachmaninoff in Milaan. Toch beviel me Fujita’s spel nu vele malen beter, want het bevatte volop zonnigheid en glans, die bij Mozart natuurlijk uitstekend passen. De cadens was niet van Mozart, en ook dat was te horen.

 

 

Geen dynamische aanwijzingen

Dat de pianist de eerste drie noten van het Andante meespeelde (met ruim pedaalgebruik nog wel), beviel me allerminst: hij krijgt zijn kans 23 maten later volop (non-legato nog wel) en doorkruiste zo de opbouw van dat tweede deel, dat de Japanner ook weer fluweelzacht en engelachtig liet klinken – voor wie ervan houdt ongetwijfeld een verademing, maar Mozart was helemaal geen engeltje, en het ontbrak daarnaast te veel aan lange spanningsbogen om echt te boeien. Het derde deel was weer zonovergoten en technisch volslagen perfect, maar ook hier miste ik dramatiek en opera-gestiek bij zowel het orkest als de solist, en hoewel we fraaie houtsolo’s en mooie strijkers hoorden, bleven er teveel details van Mozarts geniale partituur ongehoord. Ook de toegift, het eerste deel van Mozarts Pianosonate nr. 16 KV 545, werd briljant, maar vrijwel zonder uitzondering piano (zacht) gespeeld, wat weer een parelend en feeëriek klankbeeld opleverde, maar aan de grilligheid van dit kleine werkje te weinig recht deed. Natuurlijk schreef Mozart, bij hoge uitzondering, geen dynamische aanwijzingen in deze sonate, maar dat betekent natuurlijk niet dat het van begin tot eind p gespeeld moet worden.

 

 

Beethovens grillige klankwereld

De avond nam echter een totaal andere wending toen dirigent Riccardo Minasi Beethovens Vijfde inzette: kloek, flamboyant en imponerend (hoewel hij de diminuendi in de eerste fermaten er zelf bij had verzonnen – ik zag ze door de vingers). Het orkest herleefde, zuurstof vulde de ruimte en Minasi deed alle engelachtigheid van voor de pauze in volle vaart vergeten, en gelukkig maar: het orkest kolkte en bruiste, helemaal in zijn element, en de dirigent liet structuren zien, fraseringen en dialogen – hij vertelde nu het verhaal dat voor de pauze ontbrak, en het was voorwaar een boeiend verhaal. Minasi dirigeerde nu muziek in plaats van maatstrepen, alles uit het hoofd en nu wèl met oog voor alle details uit de partituur. Alle dynamische contrasten flitsten in het rond en de agogische benadering van de tutti-accoorden, met relatief lange pauzen ertussen, werkten geweldig – orkest en publiek waren meteen geïnspireerd. De versnelling aan het einde was natuurlijk overbodig, maar deze dirigent was nu eindelijk ontketend (zozeer dat hij in de laatste maat van het eerste deel zijn bril verloor), dus we namen er geen aanstoot aan. Zo vlak als Mozart was verlopen, zo geestdriftig klonk nu Beethoven, ook in het tweede deel, dat soms wel eens lang kan aanvoelen, maar nu niet: we waren op een boeiende reis door Beethovens grillige klankwereld, met opnieuw weer veel aandacht voor de details, klank, afwerking en opbouw, logisch en coherent.

 

 

Rijk klankbeeld

Het derde deel begon groezelig-spannend in de lage strijkers en werd al snel majestueus weggetoeterd door geweldig spelende hoorns. De altijd lastige fuga was ijzersterk in de strijkers en ging prachtig en soepel over in de lyrische passage erna. Leuk dat de piccolo, contrafagot en trombones apart opkwamen: zo ziet het publiek ook dat het vierde deel met meer musici wordt gespeeld dan de delen ervoor; ze bleven ook staan – goeie vibes! De structureel belangrijke tussendominant aan het begin van de doorwerking klonk fantastisch en het Concertgebouworkest was nu op zijn best: heel veel inzet en ook de middenstemmen lieten zich, mede op uitnodiging van de dirigent, volop horen, waardoor altijd een heel rijk klankbeeld ontstaat. Weer een geweldige versnelling en daarna weer die trage, massieve slotaccoorden – heerlijk!

Peter Schlamilch

 

* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.

You May Also Like

Omvergeblazen door NDT 2 met Kylián, Soulier en Goecke

Pianist Krystian Zimerman overtuigt ook in ieder miniatuur*

Tenebrae: Engelse klankexplosies uit de zestiende eeuw

Orchestra di Santa Cecilia subliem in Rachmaninoff*