Tweede Mahler spannend onder Spanjaard

Filharmonie Der Aa o.l.v. Ed Spanjaard. Met: Noord Nederlands Concertkoor, Groot Concertkoor Amsterdam, Aylin Sezer, sopraan en Carina Vinke, mezzosopraan. Gustav Mahler – Tweede symfonie ‘Auferstehung’. Gehoord: 20 juni 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam
Door Peter Schlamilch
Binnen zeven dagen Mahlers geweldige Tweede symfonie te mogen meemaken is natuurlijk een ongekend voorrecht, want zo eenvoudig is het produceren van dit groots opgezette werk niet: het koor, de solisten en het enorme orkest kosten een professionele organisatie, zoals vorige week bij het Radio Philharmonisch, al handenvol geld, voor een amateurorkest als de Filharmonie Der Aa moet het al helemaal een enorme aanslag zijn op het budget.
Ambities
Excuus voor dit prozaïsche beginnende stukje, maar het is de verpakking van een groot compliment voor dit amateurorkest uit Groningen dat zich met hart en ziel inspant om grote klassieke muziekwerken naar Noord-Nederland te halen en het resultaat ervan zelfs in het Concertgebouw, toch ons hoogste muzikale podium, te presenteren. En dat resultaat mocht er wezen, want hoewel de Filharmonie Der Aa dus grotendeels uit amateurs bestaat, aangevuld met enkele (ex-)professionals, en dus in geen enkel opzicht is te vergelijken met de ervaren professionals van een week eerder, was de intentie er meestal niet minder om, en ook die intentie weegt mee bij elke beoordeling. Het orkest is in een paar jaar van een meer projectmatig kamerorkest uitgegroeid tot een volwaardig symfonieorkest met een vaste groep musici, met bijbehorende ambities. Het profileert zich in het noorden als het amateursymfonie-orkest dat stukken programmeert die niet voor het gemiddelde amateurorkest weggelegd zijn, qua omvang, logistiek, en speelniveau. Chef-dirigent Jacob Slagter is hierin een drijvende kracht geweest, samen met een gedreven kern van organisatoren. Dit concept heeft een aanzuigende werking op goede amateurspelers en ook op het publiek. En op solisten die van ons orkest horen en goede verhalen horen. Zo speelt het met aanstormend talent maar ook gevestigde namen als bijvoorbeeld Pieter Wispelwey (Celloconcert van Dvorak in 2024). Het orkest doet alles zelf, voor en door de orkestleden, met mensen die allemaal drukke levens en banen hebben.

Organische en vloeiende tempi
Waar het Radio Phil vorige werk gebukt ging onder Canellakis’ nogal schoolse en afstandelijke leiding, liet Ed Spanjaard, bij wie ikzelf overigens ooit orkestdirectie studeerde, er vanaf de eerste inzet geen twijfel over bestaan dat bij Mahler ‘het belangrijkste niet in de noten’ staat, zoals de grote Wener dat noemde, maar juist het resultaat moest zijn vàn die noten – meteen al de allereerste, dreigende inzet in de hoge strijkers was electrisch geladen, en de daarop volgende donderende cello’s en bassen maakten direct indruk. Natuurlijk, de musici van de Filharmonie beschikken niet over de geweldige techniek en kostbare instrumenten als hun professionele collega’s, maar hun intentie was er niet minder om. Spanjaard had, met zijn kenmerkende, lage, een beetje Karajaanse slag (hij was jarenlang zijn assistent) duidelijk besloten geen twijfel te laten bestaan aan zijn Mahler-opvatting: oprecht en recht door zee, zonder onnodige poespas en glashelder, maar altijd in organische en vloeiende tempi en zonder bijvoorbeeld de geijkte vertraging voor het tweede thema (die er inderdaad niet staat, hoewel je Mahlers aanwijzing ‘Echoton’ misschien zo zou kunnen interpreteren).
Mahleriaans-fatalistisch
Knap ook is dat Spanjaard, die invaller was voor de door een ongeval getroffen Jacob Slagter (hij is volgens de laatste berichten gelukkig goed herstellende), heer en meester over het orkest was, zonder daarbij de geest van Mahler ooit te veronachtzamen: het eerste deel was de grote Doodsplechtigheid die de componist bedoeld had, nooit pathetisch maar altijd de rauwe kern rakend en zeker nooit langdradig: Spanjaard zorgde elk moment voor spanning en intensiteit, natuurlijk steeds binnen de grenzen van de technische mogelijkheden van de musici, want ook dat is Spanjaard: didactisch voelt hij feilloos aan waar die grenzen liggen en duwt daar niemand overheen. Sterker nog: daar waar een solo of inzet dreigt te mislukken is hij er, als rasechte operadirigent, als de kippen bij om het geheel weer dienstbaar in goede banen te leiden, wat hem steeds uitstekend lukte (op de uiterst onwillige althobo/basklarinetsolo na).
Het eerste deel culmineerde in een heerlijke en oorverdovende climax van – ook hier – Karajaanse proporties: heel fijn. Waar de afsluitende apocalyptische strijkerstriolen bij Canellakis nogal schools en studieus klonken, waren ze bij Spanjaard fel en Mahleriaans-fatalistisch, hoewel hij met een beroepsorkest vast en zeker nog meer risico had genomen. De dirigent nam de door Mahler voorgeschreven pauze na het eerste deel gelukkig in acht (zij het ook niet de volle vijf minuten), maar die werd grotendeels opgevuld met omstandig stemmen en de opkomst, inclusief applaus, van de beide vocale solisten – ik weet niet zeker of Mahler nou precies dit voor ogen had gehad.

Gedenkwaardige avond
Ook in het tweede deel speelde Spanjaard nooit op safe, maar bleef steeds elegant en af en toe toch bijtend-sarcastisch muziek maken, het orkest steeds helder door de partituur loodsend, met her en der enkele prachtige fluitlijnen. Het derde deel verliep in een prima dansant maar relatief hoog tempo, waarin je de ongeduldige vissen als het ware hoorde samenscholen voor de bekende humoristische vissenpredicatie, die daardoor ook werkelijk ironisch werd, hoewel de orkestinterrupties best wat grilliger en dramatischer hadden gemogen. Mooi was dat Spanjaard de takkenbos, door Mahler bewust als sarcastisch Fremdkörper ingevoerd, niet verdoezelde, zoals sommige dirigenten doen, maar juist contrastrijk naar voren haalde, hoewel een iets langere zoektocht in het bos misschien een nog wat indrukwekkender en vollere verzameling twijgen had kunnen opleveren. Ook hier was de slotclimax indrukwekkend en Mahleriaans-overweldigend, en het orkest speelde de lastige snelle noten uiterst geconcentreerd en overtuigend. Het slotakkoord klonk prachtig lang uit in tamtam en hoorns, waarna alt-mezzo Carina Vinke haar Röslein rot zacht en sfeervol in kon zetten, mooi van klank en zuiver-sonoor, met misschien net iets minder ernst en ‘gravitas’ dan we van een ‘echte’ alt gewend zijn, maar stemmig en prachtig begeleid door de Noordelijke strijkers, gevolgd door een uiterst overtuigend koperkoraal en uitstekend klinkend en gebalanceerd Fernorchester in het laatste deel. Jammer dat het koor met donderend geraas opstond in het allerzachtste stuk van de hele symfonie, maar toen diens inzet eindelijk daar was (meestal wordt die zittend gezongen) klonk die prachtig zacht en sonoor, hoewel het in een amateurkoor natuurlijk altijd lastig is om de extreem lage tweede bassen te horen. Sopraan Aylin Sezer straalde er heerlijk, maar met misschien iets te veel vibrato bovenuit en Spanjaard liet de koorzangers heerlijk lang en bijna eindeloos uitzingen, zonder een spoor van haast. Ook hier werkte de dirigent weer naar een geweldig hoogtepunt, steeds geholpen door de fantastisch communicerende concertmeester Ming-San Ma. Het 100-koppige koor gaf alles wat het had, net als het orkest en bouwde op naar een indrukwekkende afsluiting van een gedenkwaardige avond – het debuut van dit sympathieke orkest in het Concertgebouw werd met ovationeel applaus bekroond.
Peter Schlamilch
Info: concertgebouw.nl en www.deraa.nl