Volmaakte Rosenkavalier in de Staatsoper Berlin

Richard Strauss – Der Rosenkavalier. Staatsopernchor, Kinderchor der Staatsoper en Staatskapelle Berlin o.l.v. Christian Thielemann. Met Julia Kleiter (Marschallin), Peter Rose (Baron Ochs auf Lerchenau), Patricia Nolz (Octavian), Roman Trekel (Herr von Faninal), Nikola Hillebrand (Sophie), Daniela Köhler (Marianne Leitmetzerin) e.a. Regie: André Heller. Gehoord: Paaszondag, 5 april 2026, Staatsoper unter den Linden, Berlijn
Door Peter Schlamilch
Richard Strauss was, aan het begin van de 20e eeuw, ruim 15 jaar Hofkapellmeister aan de toenmalige Königliche Hofoper (later Staatsoper) in Berlijn, waar hij honderden voorstellingen dirigeerde en een belangrijke rol speelde in het muziekleven van de stad. Hij dirigeerde er vooral werken van Wagner, Mozart en zijn eigen composities, die echter bijna steevast in het relatief nabijgelegen Dresden in première gingen, omdat hij daar, in de Semperoper, nóg meer waardering voor zijn werk kreeg. Het werk was er een triomf: er waren maar liefst 50 voorstellingen nodig om aan de vraag te voldoen en er reden speciale treinen – ‘Rosenkavalier-Sonderzüge’ – vol Berlijners naar Dresden om de opera te zien. Nog in hetzelfde jaar, 1911, dirigeerde Strauss zijn immens populaire opera al in Berlijn, waar zij ook een groot succes werd: er zijn sindsdien honderden voorstellingen geweest.

Voluptueuze strijkers
De voorstelling die de in Berlijn geboren Generalmusikdirektor Christian Thielemann er tijdens de afgelopen Festtageleidde, was ronduit voorbeeldig: alles klopte, van de briljante personenregie van de debuterende regisseur André Heller tot het eenvoudige, maar zeer effectieve toneelbeeld van Xenia Hauser (een ‘hommage’ aan de Weense jugendstil en Gustav Klimt), en van de geweldige cast met de voortreffelijkste stemmen tot de gepassioneerd maar altijd fijnzinnig spelende Staatskapelle Berlin, die er een waar kleurenspektakel van maakte: Thielemann liet Strauss’ wonderbaarlijke partituur, die zo’n vier uur duurt, volop door de zaal stromen, soms nét iets te luid in de allerzachtste passages, maar altijd doorleefd, geïnspireerd, organisch en technisch hoogstaand. Thielemann liet het orkest brullen en zingen, maar had ook oog voor de kleinste details, die allemaal mooi afgewerkt waren. Het orkest volgde zijn chef op de voet, waarbij het altijd spatgelijk bleef, met voluptueuze strijkers en geniale soli in hout, koper maar ook harpen en slagwerk – het was duidelijk dat dit een traditie van meer dan een eeuw is.

Indrukwekkende stembuigingen
De voorstelling voltrok zich – oh, verademing – zonder de modieuze politiek-correcte boodschappen die we de laatste jaren zo vaak zien, nee: het respect voor het werk was in elke seconde te voelen en Strauss’ vaak geniale noten konden voluit opbloeien onder Thielemanns ijzeren hand, die koor, solisten en orkest volledig in de greep had. Maar met wélk resultaat! De dirigent creëerde de ideale omstandigheden voor alle musici om maximaal tot hun recht te komen, en dat begon, na een meesterlijke, fors gespeelde inleiding, al direct in het contact tussen de Feldmarschallin en Octavian, gezellig bijkomend van een wilde nacht – hun stemmen pasten wonderschoon bij elkaar en de eerste inzet van de Oostenrijkse mezzo Patricia Nolz (Octavian) was zó adembenemend dat ik meteen op het puntje van mijn stoel zat. Ze zong pittig, maar toch rond en warm (in de hoogte soms ietsje geforceerd) en acteerde perfect jongensachtig en brutaal. Julia Kleiter was een prachtige Marschallin: edel en aristocratisch van toon en verschijning met een steengoede frasering, dictie en verstaanbaarheid – wát een koppel! Als de gravin haar beroemde en treurige ‘Die Zeit, die ist ein sonderbar Ding’ voordraagt, klinkt ze angstaanjagend waarzeggend, het verval en de dood met minieme, maar indrukwekkende stembuigingen schilderend – ragfijn gezongen, en de zaal houdt zijn adem in met open mond. Het toneelbeeld laat de toeschouwers zich gelukkig volledig op de zangers concentreren, en ook de prachtige kleding en belichting staan steeds ten dienste van de handeling en het drama.

Natuurlijke tempi en rubati
De Britse bas Peter Rose, onlangs nog te horen in Die Schweigsame Frau, zette een uiterst boerse, ongemanierde Baron Ochs auf Lerchenau neer, die met zijn indrukwekkende volume en schitterende geluid de zaal zelfs aan het lachen kreeg – hij zong onvermoeibaar, na vier uur nog net zo indrukwekkend in alle registers als bij zijn eerste opkomst. Hij zingt deze rol over de hele wereld, en zoveel ervaring werd goed duidelijk. Maar ook alle andere zangers waren 24-karaats: in de tweede akte, met een nieuw en mooi decor, zong Roman Trekel (Herr von Faninal) overtuigend en indringend, en Nikola Hillebrand vertolkte haar Sophie liefdevol, jeugdig en stralend, en het liefdesduet met Octavian was van beide zangeressen beeldschoon en innig. Het koor zong geweldig en klonk als een klok. Het Italiaanse paar was uitstekend, net als de Italiaanse ‘zanger’, en ook hier was het orkest weer kleurrijk – Thielemann creëerde veel contrasten en soepele en natuurlijke tempi en rubati, met de hoorns in een prachtige hoofdrol.

Perfecte eenheid
De derde akte had alweer een ander decor, en begon weer met een briljant gespeelde orkestinleiding, en het orkest vormde de hele avond al een perfecte eenheid met het toneel. De zwaar aangezette Weense accenten zijn hilarisch en het slotkoor was geweldig, alles culminerend in een terzet om van te dromen, zo schitterend kwamen orkest en zangers tot een perfecte eenheid. De langdurige staande ovatie, in Duitsland een grote uitzondering en alleen toegepast bij uitzonderlijke prestaties, was volkomen terecht en zangers en dirigent kwamen minutenlang terug op het toneel, ook voor de kleine groepjes applaudisanten aan het eind – wát een avond!
Peter Schlamilch
Credits: Ruth Walz

Meer info: staatsoper-berlin.de