Jongemeisjespoëzie in Ravel bij NTR ZaterdagMatinee

Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Karina Canellakis, Cédric Tiberghien, piano. Programma: Ravel Pianoconcert in G, Bartók: De houten prins, Hawar Tawfiq: rijks. Gehoord: 24 mei 2025, NTR ZaterdagMatinee, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*
Door Peter Schlamilch
Ravels pianoconcerten behoren tot de meest geniale werken ooit geschreven, en zijn Concert in G kent twee hoekdelen waarin de gekte en exuberantie van het leven worden verklankt. Het langzame, diep tragische middendeel is misschien wel een van de aangrijpendste pianostukken uit de westerse beschaving – net als Mozarts KV. 488 begint het met een schijnbaar eindeloos-eenzame pianosolo die, naast beeldschoon, zó eenzaam, zó verdrietig en zó godverlaten is dat de tranen je in de ogen zouden moeten springen om het lot van de solitaire, troosteloze mens.

Diep verdriet
Ravel zelf was, naar verluidt, ook eenzaam: hij is nooit getrouwd, had geen langdurige romantische relaties en leefde alleen in zijn huis in Montfort-l’Amaury, nadat hij tot zijn veertigste bij zijn moeder had verbleven. Zijn idealisme bracht hem ertoe vrijwillig dienst te nemen in de Eerste Wereldoorlog (nadat hij aanvankelijk was afgekeurd vanwege zijn fragiele gezondheid en tengere postuur), maar leerde er, als bekend, dood en verderf kennen en verloor er vele vrienden en strijdmakkers. Zijn werk wordt onterecht vaak als impressionistisch beschouwd (hoewel sommige van zijn stukken daar misschien wel wat van weg hebben), maar de meeste van zijn noten zijn bijna expressionistisch en drukken diepe gevoelens of gemoedstoestanden uit, zoals dat beroemde langzame middendeel, dat in de kundige handen van pianist Cédric Tiberghien vlot, optimistisch en zelfs helder werd, waar ik zelf tragiek, desolaatheid en diep verdriet in de partituur lees. Het kan verkeren.

Van Gogh of Picasso
Tiberghien nam een vlot tempo, Ravels metronoomcijfer negerend, en speelde nergens écht espressivo, zoals de componist er ten overvloede bij zette, maar eerder blijmoedig en licht. Ook de briljante dichotomie tussen de linkerhand, die schijnbaar in 6/8 maat staat, en de rechterhand, in ¾-maat, werd nergens volledig benut, terwijl het juist een schrijnend kenmerk van de verschuivende muzikale werelden in dit deel is. Canellakis’ directie had dezelfde zoete, nergens confronterende stijl, en leidde eerder tot jongemeisjespoëzie dan tot de gekwelde klanken van een getormenteerde ziel. De geniale zweepslag waarmee het stuk begint en die de hele, helse machine in gang zet was eerder een leuk maar bescheiden detail dan de kern van de oerknal waarmee Ravel alles laat exploderen. Leuk dat het traditionele ritardando in de althobo, vlak voor de Meno vivo-inzet van de solist, werd weggelaten (het staat er namelijk ook niet), maar ook de totale gekte in het slagwerk was door de dirigente verzacht, net als de schrijnende dissonanten, die angstvallig leken te worden vermeden in plaats van aangedikt – de none-voorhouding is zowat Ravels handtekening: wie die ‘wegpoetst’ pleegt bijna geschiedvervalsing en maakt van Ravel… Debussy. Maar waar Debussy – in de woorden van een bevriende grote pianist – op Monet lijkt, lijkt Ravel eerder op Van Gogh of zelfs Picasso: volslagen andere werelden voor wie gevoelig is voor die verschillen.

Expressionistische visie
Pianist Tiberghien heeft overigens een mooi, robuust en technisch uitstekend toucher, maar waar was het fortissimo dat in de partituur zo vaak te vinden is, en waar zijn de gekte en de jazz of swing in het eerste deel? Niet vaak gehoord, veel te beschaafd allemaal.
Het tweede deel was dus te hups, en over de talloze magische momenten, te beginnen in de modulatie van E naar gis in maat 4 – een van de beste momenten in de muziekgeschiedenis – werd vrij gedachtenloos heen gespeeld. Het tempo lag nét te hoog om écht poëtisch te worden en er klonk te weinig rubato om dit meesterwerk karakter mee te geven. Niet dat er niet fantastisch gespeeld werd in het orkest, natuurlijk, want het Radio Filharmonisch kán eigenlijk niet matig spelen, laat staan slecht. Alle solo’s, zoals de beroemde van de althoboïst, waren prachtig en de strijkers prima. Maar veel klonk ook wat routineus en nergens werden de extremen opgezocht of spanning gecreëerd, terwijl Ravels muziek daar wel om vraagt – althans: in de expressionistische visie.

Indrukwekkend orkestwerk
Béla Bartóks De houten prins is een ‘dansspel’ over de tragische liefde van een prins, wiens aanbeden prinses hem afwijst en aanvankelijk een duffe houten pop verkiest boven de wanhopige geliefde. Ze krijgt tenslotte spijt en het loopt allemaal goed af, hoewel dat in Bartóks muziek niet altijd goed te volgen is: omdat hij niet zo’n briljant instrumentator was als bijvoorbeeld Ravel, klinkt het vrij lange werk (359 partituurbladzijden!) soms wat monotoon – veel bruintinten, veel lage instrumenten en heel vaak dezelfde instrumentatie. Toch heeft de NTR ZaterdagMatinee er goed aan gedaan het te programmeren, want De houten prins is een mooi, interessant en indrukwekkend orkestwerk dat het zeker verdient gehoord te worden, en een ander licht op Bartóks muziekwereld werpt dan we gewend zijn. Misschien de volgende keer semi-scènisch, zoals Iván Fischer dat enkele jaren geleden deed met zijn Budapest Festival Orchestra.

Orgastisch slot
Het Radio Fil speelde met volle inzet, en had, als altijd, werkelijk zin dit werk voluit te verdedigen, wat vrijwel overal lukte, zeker in de machtige, Rheingold-achtige openingsminuten, en in de vele associaties met Stravinsky’s Petroesjkauit 1911, muziek die Bartók zeker gekend zal hebben. Het orkest was in topvorm, en dit toch voor velen onbekende werk liep als een trein, met vele mooie solo’s in hout (saxen!), koper en slagwerk. Canellakis had kennelijk zeer tuchtig gerepeteerd, want alles stond exact onder elkaar, alles verliep gestroomlijnd en was zuiver – een sterk staaltje orkestspel. Jammer was wel dat ze geen moment haar partituur uit het oog verloor – misschien begrijpelijk, maar dat kwam het echte vertellen van het verhaal niet ten goede: ondanks dat we wat titels in het programmaboekje hadden meegekregen, was de vertelling niet navolgbaar, terwijl Bartók toch zo zijn best had gedaan om in de partituur steeds exact aan te geven wat er gebeurde. De volgende keer misschien die aanwijzingen projecteren? Canellakis hield het orkest kundig bijeen, maar beperkte zich meestal tot takteren, waardoor de expressiviteit achterbleef – door de vele vertragingen, versnellingen en fermates (pauzes) in de partituur meer te overdrijven was er waarschijnlijk meer structuur, verrassing en spanning in de uitvoering gekomen. Tegen het einde liet ze de teugels wél vieren en genoten we van een prachtig orgastisch slot, gevolgd door een heerlijke, steeds zachter wordende afloop…

Nevelige blik
Het concert werd overigens geopend met rijks (zonder hoofdletter), een stuk uit 2024 van de Koerdische componist en violist Hawar Tawfiq, in opdracht van de NTR ZaterdagMatinee, die daarmee, het kan niet vaak genoeg benoemd worden, ook de scheppende toonkunst een belangrijke impuls geeft, want wie verstrekt er verder nog compositieopdrachten? Kerk en adel zijn helaas afgeschaft na de jaren ’60, en ambtelijke opdrachtverstrekkers hebben meestal de ballen verstand van kunstzinnige kwaliteit. Tawfiq zegt in Amsterdam ‘de hemel’ gevonden te hebben, en het water van het IJ met het Rijksmuseum te hebben willen verbinden. En inderdaad, zijn korte werk begint sfeervol met een langzame, impressionistische (nu wél) en nevelige blik over het water bij zonsopgang (tenminste, dat stelde ik me erbij voor), komt dan compleet tot stilstand in een lange, wellicht iets té lange altfluitsolo (geweldig gespeeld door Susana Lopes Ferreira), en wordt dan werelds-dansant met misschien net té letterlijke citaten uit de Sacre – altijd leuk om te horen, maar wie meer dan honderd jaar na dato nóg afhankelijk van Stravinsky is, moet daar misschien toch van proberen los te komen.

Blik op de toekomst
Het orkest speelde weer met de bekende, niet aflatende inzet, maar Canellakis leek niet erg geïnspireerd te worden door deze muziek: ook hier deed ze niet veel meer dan takteren, terwijl juist nieuwe, onbekende werken een muzikale ‘voorganger’ nodig hebben. Het werk is (verwijd) tonaal en klinkt uiterst aangenaam in de oren, maar begint na twee-derde (ongeveer de Gulden Snede) wat te kabbelen, als het plotseling en misschien zelfs wat ongepast, met een flinke knal eindigt. Als altijd stelden we ons de vraag of we hiermee een blik op de toekomst van de moderne kunstmuziek hebben gekregen, maar daaraan twijfel ik, hoewel wel in de voordeelszone ervan. We zouden meer van Tawfiq moeten horen om echt overtuigd te raken, maar de eerste schreden zijn gezet.
Peter Schlamilch

Info:
http://www.zaterdagmatinee.nl/
* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.