Susanna en Figaro redden verminkte Mozart van zekere ondergang bij DNO

Wolfgang Amadeus Mozart – Le nozze di Figaro. Nederlands Kamerorkest o.l.v. Francesco Corti. Met: Björn Bürger (Il Conte Almaviva), Olga Kulchynska (La Contessa), Emily Pogorelc (Susanna) Michael Nagl (Figaro), Cecilia Molinari (Cherubina), Véronique Gens (Marcellina). Regie: Kirill Serebrennikov. Gehoord: 10 mei 2026, De Nationale opera, Muziektheater, Amsterdam
Door Peter Schlamilch
Wie werpt eigenlijk ooit de vraag op van wie ‘de opera’, of kunst in het algemeen, is? Is die van miljoenen mensen, die de werken liefhebben of soms zelfs adoreren, of van regisseurs die hun eigen fantasieën, theorieën of soms zelfs frustraties op de meesterwerken ‘plakken’, die we met veel gemeenschapsgeld (gelukkig!) blijven opvoeren. Als bijvoorbeeld de directeur van het Uffizi-museum ’s nachts met een klein kwastje Botticelli’s Geboorte van Venus zou gaan bijwerken, zou deze persoon waarschijnlijk vrij snel in handboeien worden afgevoerd, en terecht.

Uit hun vel
In het operabedrijf is dat anders: het is al lang gewoonte geworden dat regisseurs de vrijheid nemen (en vooral krijgen!) om de verhalen eeuwen in de tijd te verplaatsen, of om er totaal andere boodschappen in te verwerken en er soms zelfs compleet andere verhalen van te maken – af en toe diametraal conflicterende. Dat regisseurs (of kwam dit plan van de dirigent? Nauwelijks voorstelbaar) ook de partituur gaan mutileren door er stukken uit te verwijderen, aan toe te voegen, teksten te veranderen en zelfs rollen te schrappen om ze aan andere zangers (in dit geval met een geheel ander stemtype) toe te wijzen – dat dieptepunt hadden we nog niet gehad in de recente geschiedenis. Natuurlijk gebeurde dat vroeger ook: toen knipte men naar hartelust aria’s en andere delen uit opera’s omdat men die niet mooi vond, omdat niemand ze kon zingen of gewoon omdat men ze te lang vond duren. Ook Einlagen(toevoegingen) waren niet onbekend, maar we waren, na al die eeuwen, nu juist zo blij dat we van dat culturele vandalisme verlost waren: Verdi, Wagner en talloze andere componisten sprongen uit hun vel als je hun geestesvruchten verminkte – lees hun brieven. En terecht.

Cultureel vandalisme
Regisseur Kirill Serebrennikov heeft daar allemaal geen boodschap aan: hij wil koste wat het kost zijn ideeën over de wereld uitdragen, en daarvoor ziet hij Mozarts meesterwerk slechts als een ‘aanleiding’, een vertrekpunt waar hij rustig een terzet uit Così fan tutte aan kan toevoegen (meteen na de pauze – meesterlijk gezongen, overigens), of de opening uit het Dissonantenkwartet (bewerkt en getransponeerd, wat maakt het ook allemaal uit?) vlak voordat de Graaf zijn excuses aanbiedt aan zijn vrouw, die hij schandelijk heeft behandeld. De enorme denkpauze (twee fermates voor zijn inzet en drie erna!) die het genie uit Salzburg de liederlijke zanger gaf, die stilte waarin de hele verwarring en transformatie van de overspelige zich afspeelt, was voor Serebrennikov kennelijk niet voldoende – net als onze tijdgenoten is ook de regisseur kennelijk bang voor stilte geworden, en ziet haar als ‘ruimte die opgevuld moet worden’, waardoor, nog los van het genoemde culturele vandalisme, het complete effect van het hoogtepunt van deze opera ten onder gaat in cultureel misverstand en onbegrip. Ook schrapte Serebrennikov de complete rol van Barbarina, kwam toen tot inkeer en gaf haar schitterende, korte aria dan maar aan de Gravin, daarbij negerend dat ze een totaal verschillend stemvak hebben, namelijk soubrette en jugendlich-dramatisch. Maar wat maakt alles nog uit? Alles voor het concept, en de ‘diepere boodschap’?

Clichématige interpretatie
En wat was dan die belangrijke ‘diepere boodschap’? Dat werd duidelijk na de pauze, waarin we de hele tijd in het toch al kale en kille decor van de regisseur zelve naar de neonletters ‘Capitalism kills love’ moeten kijken. Really? Is dat wat Serebrennikov heeft gedestilleerd uit Mozarts Figaro, die volgens ons eerder over macht, liefde, trouw, verraad, ontrouw, berouw en vergeving gaat dan over een simpel klassenstrijdverhaaltje. Is dat de reden om de hele opera te verminken en is die klassenstrijd echt álles wat we mee moeten nemen na deze voorstelling? Een simpele en oppervlakkige analyse van het uiterst fijnzinnige muzikaal-psychologische drama dat de Figaro is – nog afgezien van het feit dat het kennelijk gewenste alternatief, het communisme, zo’n 60 tot 100 miljoen doden heeft opgeleverd de laatste eeuw: een klein detail dat verder niet wordt benoemd. En is juist niet iedereen, arm of rijk, gelijk in de liefde, net als in ziekte en dood? Het levert een bespottelijk afgezaagde en clichématige interpretatie op van een meesterwerk dat zoveel meer lagen heeft dan deze ene, die we ook zonder regie al zouden begrijpen. Bovendien is de regie, net als in zijn Boris Godoenov van vorig jaar, zo volgestouwd met details, wilde actie en onbegrijpelijke poedelnaakte mannen, dat alles, maar dan ook alles afleidde van deze kernboodschap – misschien maar beter ook. ‘Een rommelige rotzooi’, noemde een statige 80-jarige het in de pauze.

Onvermoeibaar en beeldschoon
Wie Mozarts absolute meesterwerk Le nozze di Figaro weet te ruïneren moet van goeden huize komen, want de muziek is zo ongelooflijk geniaal, scherpzinnig, gelaagd maar vooral mooi, dat ik na afloop van Finale II met tranen van geluk in de ogen zat – hoe is het toch mogelijk dat muziek die je van noot tot noot kent (ik heb zelf de Nozze tientallen keren gedirigeerd) je ook bij de tweehonderdste beluistering weer volkomen ondersteboven blaast? De taak van een recensent is uiteraard niet om de wereld van de grootsheid van Mozart te overtuigen, maar het zegt veel over de kracht van de muzikale uitvoering, en dan vooral die van de fantastische stemmen die in Amsterdam te horen waren. Stuk voor stuk geweldige zangers, waarvan de protagonisten Susanna en Figaro de voorstelling redden. Wat zong de jonge Amerikaanse sopraan Emily Pogorelc een heerlijk, zoetgevooisd maar evenzovaak pittig en furieus kamermeisje, dat niet met zich laat sollen en dat door haar stem en podiumpresentatie laat weten ook: ze ís Susanna, ze speelt de sterren van de hemel en zingt onvermoeibaar en beeldschoon. Dat acteertalent heeft de Oostenrijkse bas-bariton Michael Nagl iets minder, maar alle mensen, vanaf zijn eerste noot raak je betoverd, nee gefascineerd door zijn zachte, maar indringende warm-koperen stemgeluid, volledig verstaanbaar en altijd diep ontroerend en betoverend – wát een zanger!

Bovenwereldse schoonheid
Bariton Björn Bürger zette een uitstekende Graaf Almaviva neer, maar was vocaal en speltechnisch net te weinig gemeen om echt intimiderend te kunnen zijn – waarschijnlijk een opdracht van de regie, want ik had steeds de indruk dat hij meer wilde geven dan hij mocht. Zijn stem is in ieder geval prachtig en edel, maar ik had graag ook zijn rauwere kanten graag gehoord en ook gezien. De Oekraïense sopraan Olga Kulchynska had ik eerder bewonderd in de prachtige voorstelling Königskinder (DNO, 2022) en in een scènisch taaie Giulio Cesare (Salzburger Festspiele, 2025) en noemde haar daar ‘schitterend, fijnzinnig en rondborstig, weergaloos, kwetsbaar, zuiver en van een bovenwereldse schoonheid’ en dat meende ik van harte. Ook hier zong (en acteerde) ze weer prachtig, maar ze is in deze rol niet op haar plaats: ondanks haar beeldschone stem klonk ze af en toe wat onzeker in de hoogte en leek zich weinig op haar gemak te voelen, misschien ook door het totale gebrek aan personenregie in de hele voorstelling, waardoor eigenlijk alle zangers (behalve Susanna) maar wat leken te improviseren. Dat ze aan het eind van de opera niet vergevingsgezing, maar boos wegliep was een domper: vergeving is een schaars goed in onze maatschappij, en als we de goede voorbeelden ervan schrappen wordt ze nog schaarser. Cecilia Molinari zong een prachtige Cherubino (in deze verwrongen regie Cherubina geheten), en Véronique Gens een uitstekende Marcellina met dolkomisch talent in de hilarische ‘ontdekkingsscène’.

Laatste verdedigingslinie
Het koor zong… oh nee, ook het koor was door de regisseur uit de opera gestreept, maar gelukkig was koorlid Marieke Reuten gevraagd om de nieuw gecreëerde rol van ‘oude vrouw’ te spelen, wat ze geweldig deed! Het Nederlands Kamerorkest speelde prima, maar werd door dirigent Francesco Corti bijna nooit uitgedaagd of opgestookt: zelfs die meesterlijke, lange Tweede Finale klonk eerder braaf dan stormachtig, en vaker netjes dan opwindend, wat volledig aan Corti’s leiding lag, want die was afstandelijk en ongericht, waardoor de duizenden briljante en expressieve details in Mozarts partituur vrijwel ongemerkt voorbijgingen, op een enkel orkestlid na dat zelf het initiatief nam na – zo hoorde ik er enkele prachtige fagotnoten doorheen prikken. Corti’s tempi werden nergens spannend en zijn dissonanten nergens schrijnend, maar alles verliep verder prima, maar dat is in onze tijden, met zoveel historisch geïnformeerde dirigenten niet meer voldoende. Ook geeft hij geen enkele inzet aan de zangers, die prima zonder kunnen, maar het is altijd fijn je gesteund te weten in de moeilijke zangpartijen en zo nog meer zelfvertrouwen te krijgen. Misschien komt dat omdat Corti van huis uit een clavecinist is, wat hij overigens goed liet merken: zijn recitatiefbegeleidingen zijn briljant en spectaculair, maar daarnaast ook veel te opdringerig en niet altijd stijlbewust. Ernstiger is natuurlijk het feit dat hij Serebrennikov’s verminkingen niet heeft kunnen of willen voorkomen: het toevoegen van een hitmelodie van Puccini is natuurlijk een grappig ideetje, maar er moet ook iemand zijn die de artistieke integriteit bewaakt – de dirigent is de laatste verdedigingslinie voor de partituur. De voorstelling is echter, voor wie het wilde knip- en plakwerk kan vergeven, een vocaal hoogtepunt, dat zeker beluisterd moet gaan worden.
Peter Schlamilch

Meer info: DNO