Bayerische Staatsoper München – Opera op het allerhoogste niveau

Charles Gounod – Faust. Bayerisches Staatsorchester o.l.v. Daniele Rustioni. Long Long (Le docteur Faust), Kyle Ketelsen (Méphistophélès), Boris Pinkhasovich (Valentin), Andrew Hamilton (Wagner), Nicole Car (Marguerite), Emily Sierra (Siebel), Dshamilja Kaiser (Marthe). Regie: Lotte de Beer. Gehoord: 24 juli 2026, Nationaltheater, München

Antonín Dvořák – Rusalka. Bayerisches Staatsorchester o.l.v. Petr Popelka. Pavel Černoch (Der Prinz), Elena Guseva (Die fremde Fürstin), Malin Byström (Rusalka), Christof Fischesser (De Waterman), Jamie Barton (De heks) e.a. Regie: Martin Kušej. Gehoord: 25 juli 2026, Nationaltheater, München

Giuseppe Verdi – Rigoletto. Bayerisches Staatsorchester o.l.v. Maurizio Benini. Bekhzod Davronov (Il Duca di Mantova), Ludovic Tézier (Rigoletto), Nadine Sierra (Gilda), Riccardo Fassi (Sparafucile), Rihab Chaieb (Maddalena), Meg Brilleslyper (Giovanna), Martin Snell (Il Conte di Monterone). Regie: Barbara Wysocka. Gehoord: 28 juli 2026, Nationaltheater, München

 

Door Peter Schlamilch

 

 

De Münchener Opernfestspiele bestaan al 150 jaar en zijn een absoluut hoogtepunt in het Europese operalandschap: 6 zomerweken vol premières, verschillende hernemingen, balletten, concerten en liedrecitals – alles op het allerhoogste niveau, met bekende namen, die niet alleen veel publiek trekken, maar ook weten mee te slepen en te ontroeren, want daarom gaat het uiteraard allemaal in het operabedrijf.

 

 

Diepe, volle klank

Ik mocht deze zomer drie voorstellingen bezoeken, waarvan de eerste, Gounods Faust, door de duivel zelf leek te zijn vervloekt – de voorstelling was bijna niet doorgegaan, zo werd aangekondigd, want beide hoofdrolzangers, de wereldsterren Ailyn Pérez (Marguerite) en Piotr Beczała (Faust), hadden moeten afzeggen, en hun vervangers waren pas dezelfde morgen ingevlogen en de hele dag bezig geweest de regie te leren. De pauze zou zelfs om die reden wat langer kunnen duren (nog even de laatste posities doornemen), zo werd er schertsend bij verteld. Toch merkte de argeloze toehoorder weinig van de stress op en achter het toneel (er zouden zelfs teams klaar staan om de zangers door de voorstelling te loodsen): soepel bewogen de beide routiniers zich door de regie van  Lotte de Beer, die de ouverture – heel prettig – vrij van beelden en bewegingen had gelaten, iets wat ik altijd hogelijk kan waarderen, want ouvertures zijn gemaakt om naar te luisteren: het zijn verhalen op zich, voor de goede verstaander. Zeker nu, want dirigent Daniele Rustioni creëerde een tsunami aan klank – die diepe, volle klank die ik zo hogelijk waardeer van het Bayerisches Staatsorchester.

 

 

Teder en kwetsbaar

Fausts eerste inzet, ‘Rien’, gezongen dus door de pas gelande Chinese tenor, invaller Long Long, paste prachtig bij de doodse vlakte die regisseuse Lotte de Beer ons voortoverde – de staat waarin Faust zich, na een leven lang vergeefs studeren, zich bevindt. Long Long is eigenlijk iets te lyrisch voor dit enorme Nationale Theater en orkest – hij kwam vaak niet over het fors spelende orkest heen en dirigent Daniele Rustioni bleek niet van zins zijn heftige, overigens wat ongerichte bewegingen wat te temperen voor de arme tenor, aan wie we toch het doorgaan van deze voorstelling voor minimaal de helft te danken hadden. Longs Salut! demeure chaste et pure was ondanks zijn ruime vibrato echter prachtig en nu wel goed hoorbaar, omdat het orkest heel sensitief en zacht begeleidde, en wát een vioolsolo! Het decor en de belichting in de grote daaropvolgende koorscène waren prachtig beeldend en kleurrijk, en Mefisto, gezongen door de Amerikaanse bas-bariton Kyle Ketelsen, klonk edel en rond, maar gaf net te weinig gas om de duivel echt demonisch te maken, terwijl zijn stem waarschijnlijk best meer volume heeft. De Russisch-Oostenrijkse bariton Boris Pinkhasovich’ zong een goede, maar nogal ‘dramatische’ Valentin (ik hoor hem liever wat jeugdiger), en de aria van Emily Sierra (Siebel) was erg mooi, teder en kwetsbaar.

 

 

Adembenemend mooi

Ster van de avond was ongetwijfeld de Australische stersopraan Nicole Car, die, hoewel dus invaller, zonder enige aarzeling het jonge, onschuldige meisje Margerite vertolkte, stralend en toch intiem. Wat een heerlijke stem, in de laagte donker en weldadig, en in de hoogte glanzend en met alle gemak van de wereld over het fenomenaal-ronkende orkest heen komende – geweldig! Het soldatenkoor was wat rommelig, vooral omdat dirigent Rustioni weinig ondersteunde of inzetten gaf. Hij dirigeerde bovendien de hele avond niet erg lyrisch, maar vooral in verticale eenheden. De regie van de Nederlandse regisseuse Lotte de Beer was mooi, effectief en stijlvol: zo was het vele gebruik van de Drehbühne steeds noodzakelijk en betekenisvol, en nergens ‘toevallig’, zoals je vaak ziet – het was waarschijnlijk heel interessant geweest haar in Amsterdam als intendant te zien. Na de pauze was de orkestinleiding ronduit magistraal, net als de aria van Marguerite, die een enorme kleurenrijkdom bevatte. De Beers Walpurgisnachtzag er adembenemend mooi uit, en de slotscène was indrukwekkend en overweldigend, niet in de laatste plaats door een geweldig zingend koor, dat donderde en dreunde. Een mooie avond, ondanks dat de mannelijke hoofdrolspelers niet altijd even goed hoorbaar waren.

 

 

Smeerlapperij en reeënkadavers

Dat probleem had Rusalka, een dag later, niet, want de Waterman, gezongen door de Duitse bas Christof Fischesser, die drie jaar geleden nog Sarastro in Amsterdam zong, deed dat geweldig, dreigend en uit volle borst, net als de Heks, vertolkt door de Amerikaanse mezzo Jamie Barton – groots en machtig van toon en angstaanjagend hekserig. De prins, de Tsjechische tenor Pavel Černoch, in dezelfde rol eerder al te horen in Amsterdam, zong lekker vurig en gloedvol, hoewel hij soms maar nèt boven het orkest uitkwam. De boswachter van de Duits-Turkse tenor Tansel Akzeybek was pittig, bijtend en volumineus, en hij acteerde ook heel beeldend, net als de steengoed zingende Russische sopraan Elena Guseva (Vreemde Vorstin).

 

 

Dirigent Petr Popelka kent de muziek op zijn duimpje en laat het fantastische Bayerisches Staatsorchester ragfijn, genuanceerd en volop romantisch klinken: een lust voor het oor. Meteen al de ouverture klinkt gevoelig en poëtisch, hoewel Popelka vurig is waar het moet – een heel fijne, ademende dirigent voor zangers, die ook de beeldschone acoustiek van het Münchense Nationaltheater volop benut. Hij begeleidt de wonderschoon zingende Zweedse sopraan Malin Byström op kousenvoeten en ze kan elke facet van haar gevoelige kunstenaarschap bij hem kwijt. Haar Maanaria is adembenemend en ze acteert fenomenaal: het moment dat ze zich in een piepklein aquarium weet te persen, met haar hoofd onder water, doet de zaal even huiveren.

 

 

Sowieso is de regie van Martin Kušej schitterend, met als hoogtepunt een omvallende muur die Rusalka nèt niet raakt, waarachter een achterbuurt vol bedrog, smeerlapperij en reeënkadavers schuil blijkt te gaan. Een prachtige voorstelling, met oorstrelende zangers, een magisch orkest en prachtige toneelbeelden en belichting.

 

 

Schitterende cellosolo

‘Muziek drukt datgene uit, dat niet gezegd kan worden, maar waarover niet kan worden gezwegen’. Woorden van Victor Hugo, wiens Le Roi s’amuse de basis was voor het gruwelijke verhaal van Verdi’s Rigoletto, waarin een moreel losgeslagen machthebber zich vergrijpt aan alles en iedereen om zich heen – de vrouwen verleidt hij, hun boze vaders zet hij gevangen of erger. Volgens het interessante programmaboek was Verdi geïnteresseerd in het thema van een volstrekt afwezige moraal voor hen die onaantastbaar zijn, en die Rigoletto uiteindelijk zijn eigen dochter kost, al zijn mislukte inspanningen ten spijt: tegen zoveel onrecht is niets of niemand opgewassen. De twee wereldberoemde operasterren die vader en dochter vertolkten begrepen dat maar al te goed, want de Franse bariton Ludovic Tézier, die met zijn enorme, imposante stem de nar Rigoletto vertolkte, deed dat op indringende wijze: hij is tenslotte niet alleen de vader van de ontvoerde en misbruikte dochter, maar daarvóór ook altijd de handlanger en facilitator van diezelfde ontvoerder geweest. Ebben, piango… (Goed, dan huil ik wel…) – het scharniermoment waarin de altijd cynisch lachende clown eindelijk zijn eigen verdriet laat zien: Tézier zingt het meesterlijk, expressief, betrokken en indringend-meeslepend. Kort daarvoor was hij nog geëxplodeerd van woede (Cortigiani), zijn enorme volume door de zaal slingerend, maar deze zanger kan zoveel meer: gewoon geweldig! Ook de schitterende cellosolo van aanvoerder Emanuel Graf mag hier niet onvermeld blijven.

 

 

Ingetogen verdriet

De Gilda van de Amerikaanse sopraan Nadine Sierra was adembenemend mooi en intiem: aanvankelijk kinderlijk-naïef verlangend naar haar grote liefde, later hartverscheurend in haar pogingen hem, die haar toch wreed verraden heeft, te redden (en zo misschien haar liefde en dood toch enige zin te geven, al was het maar voor zichzelf), en tenslotte groots en vergevingsgezind stervend, met gelukzalig-troostende woorden om haar vader nóg meer verdriet te besparen. Sierra’s stem is ronduit heerlijk van klank, met een schier eindeloos legato, dan weer piepklein en intiem, dan weer groots en het grote theater met gemak vullend – adembenemend, nogmaals. Ze lijkt onvermoeibaar, want haar slotnoten zijn net zo mooi als haar eerste (en enige) aria Caro nome, dat ze zo zijdezacht zingt dat er een diepe stilte in de zaal valt, gevolgd door een zeer lang en daverend applaus. In de vele duetten met haar vader zingt ze expressief en in het beroemde slotkwartet straalt ze er haast ongemerkt bovenuit, hoewel met ingetogen verdriet. Wát een zangeres.

 

 

Spectaculair

De Graaf van Mantova van de Oezbeekse tenor Bekhzod Davronov was technisch uitstekend en zijn Ella mi fu rapitaklonk geweldig, maar was wel wat statisch en weinig emotioneel. Misschien had de regisseuse Barbara Wysocka hem verzocht om wat afstandelijk te blijven – dat zou goed kunnen, want ook haar regie en toneelbeeld waren dat. Ik begreep haar actualiseringswens – ook huidige machthebbers zijn soms ongelooflijke en onaantastbare smeerlappen – maar de plaatstalen SM-kelderachtige realiteit die ze ons schetste was gewoon te abstract om ons echt het verhaal in te trekken. Gelukkig was daar het immer krachtig en massief spelende Bayerisches Staatsorchester, dat Verdi niet alleen een eikenhouten klank meegaf, maar ook al zijn finesses liet horen – heerlijk. Natuurlijk kwam dat ook op het conto van de Italiaanse dirigent Maurizio Benini, die vlot en voortvarend dirigeerde, de balans perfect in de hand had en bijvoorbeeld Rigoletto’s Cortigiani met de enorme klap inzette die Verdi had bedoeld: perfect! Het kwartet was beeldschoon, en het chromatische mannenkoortje lekker stevig hoorbaar en angstaanjagend. Sierra’s sterfscène was aangrijpend en diep schrijnend (hoewel ik de bliksemflitsen node miste) en Rigoletto’s ontzette laatste uitroep knalde over het orkest heen (sommige zangers verdrinken daar in de orkestklank, maar niet Tézier): Ah, la maledizione!, nadat hij ontdekt dat de vloek van Monterone werkelijkheid is geworden en zijn geliefde dochter gedood – de gruwelijke realiteit heeft hem ingehaald in een spectaculaire opera-avond.

Peter Schlamilch

 

Meer info Faust: staatsoper.de

Meer info Rusalka: staatsoper.de

Meer info Rigoletto: staatsoper.de

You May Also Like

Gabrieli’s op het Festival Oude Muziek Utrecht 

Revolutionair optreden van klavecinist Andrea Buccarella op het FOM

Een tijdreis door Utrecht – opening van het Festival Oude Muziek Utrecht 

Terug naar de toekomst: Huelgas Ensemble zingt musica antiqua